Maak van je Camino een ontdekkingsreis


Op deze website vind je verhalen die je kunnen inspireren om van een ‘gewone’ wandeling naar Santiago de Compostela een verrassende ontdekkingsreis te maken. Verhalen over aandacht en vertraging, over ontmoetingen die je bijblijven, over geluk dat soms onverwacht op je pad komt – en over wat zich kan aandienen als een wonderlijk toeval.


De verhalen zijn samengesteld door Willem Gerritsen. In zijn boek Witte Konijnen op de Camino laat hij zien dat lange-afstands-wandelen ook op latere leeftijd, met een redelijk gezond lichaam, heel goed mogelijk is. Maar meer nog laat hij zien dat de Camino, als je ervoor openstaat, veel rijker en gelaagder is dan je vooraf kunt vermoeden.


Willem deelt zijn ervaringen graag met je. Daarom kun je zijn boek en andere verhalen hier vrij lezen: zonder registratie, zonder verplichtingen, zonder advertenties of commerciële trucjes. Helemaal gratis. Begin wanneer je wilt, pauzeer wanneer het je uitkomt en lees verder in je eigen tempo.


Het doel van dit project is om toekomstige pelgrims aan te moedigen de Camino op een meer spirituele en minder commerciële manier te benaderen. Het is een vrijwilligersinitiatief, gedragen door de wens om iets door te geven van wat de Weg kan betekenen.


Ideeën, correcties en andere opmerkingen die kunnen helpen dit boek te verbeteren, worden zeer op prijs gesteld. Je kunt een bericht sturen via het contactformulier onderaan de pagina.


Ik wens je veel leesplezier.


Willem Gerritsen


Over de auteur.

Willem Gerritsen (1946) is gepensioneerd psychiater en psychotherapeut. Als informatievrijwilliger bij het Nederlands Genootschap van Sint Jacob, helpt hij al jaren aspirant-pelgrims hun weg te vinden.

Tussen 2021 en 2026 bracht hij meer dan 350 dagen door op verschillende Camino-routes naar Santiago. Dat bood ruim de tijd om na te denken over het bijzondere karakter van deze eeuwenoude pelgrimswegen – overpeinzingen die een extra impuls kregen door een wonderlijke ontmoeting met een wit konijn.


Op deze website geeft hij een voorproefje van zijn boek, oorspronkelijk geschreven in het Nederlands. Het zal later verschijnen als gratis e-book – of hoogstens tegen kostprijs – in zowel het Nederlands als het Engels.


Heb je expertise in online boekpublicatie en/of marketing en wil je als vrijwilliger aan dit initiatief iets bijdragen? Dan komt Willem graag met je in contact.

You prefer English?

__________________________________________________________________ 

__________________________________________________________________ 

WITTE KONIJNEN OP DE CAMINO

 

 

 

 

Ontdek de magie van de Camino 




 

 

 

Willem Gerritsen 

 

 

 __________________________________________________________________ 



Eerste editie: 2026

© 2026 Willem Gerritsen

Cover:

© Willem Gerritsen

Portretwerk:

AnneMarleen Cornelissen







Niets van deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar worden gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm, internet of op welke wijze dan ook, zonder schriftelijke toestemming van de auteur. 


__________________________________________________________________ 


Voor Ellen












__________________________________________________________________ 

INHOUDSOPGAVE

DEEL 1 – DE MAGIE VAN DE CAMINO

Proloog​

Een persoonlijke inleiding​

Waar het niet en wél over gaat​

Voorbereiden op de Weg

Aanbevelingen
DEEL 2 – DE WEG​

Hoop en Mirakels​

Calle de la Esperanza​

Carrer del Miracle​

Thuiskomen​

DEEL 3 – APPENDIX​

Mijn Camino’s
Informatie en het web​

Gewicht rugzak 

Donativo​

Boeken​

Verantwoording​

Dankwoord​

Contact​

__________________________________________________________________ 

DEEL 1 – DE MAGIE VAN DE CAMINO









__________________________________________________________________

Poema del Camino


Stof, slijk, zon en regen,

dat is de Camino de Santiago

Duizenden pelgrims,

en reeds meer dan duizend jaar.

 

Pelgrim, wie roept je?

Welke geheime kracht trekt je?

Niet de Campo de las Estrellas,

noch de grote kathedralen.

 

Niet de grootsheid van Navarra

of de wijn van Rioja,

noch de Galicische zeevruchten

of de velden van Castilië.

 

Pelgrim, wie roept je?

Welke geheime kracht trekt je?

Niet de mensen langs de Camino,

of de tradities van het land.

 

Niet de geschiedenis en de cultuur,

noch de haan van Calzada,

het paleis van Gaudi,

of het kasteel van Ponferrada.

 

Dit alles zie ik in het voorbij gaan

en het is een genot dit alles te zien,

maar de stem die mij roept

voel ik veel dieper in mij.

 

De drijvende kracht in mijzelf,

de kracht die mij trekt,

zijn geen van beide de verklaring.

Alleen Hij van Boven weet het!

 

'Camino-gedicht' op een muur in de omgeving van Nájera, ondertekend door ‘E.G.B’. 

 

__________________________________________________________________


Proloog

 

April 2022. Op weg naar Santiago, dag negen.

Langs de Schelde volg ik in stilte het jaagpad met daarlangs een rij oude bomen als wachters. Plots houd ik mijn pas in: voor één van die bomen zit een sneeuwwit konijn, rechtop en onbeweeglijk. Het lijkt op een pluche knuffel maar het is een echt konijn. Bij mijn nadering schiet het onder een boom zijn hol in. Negen dagen lang geen konijn gezien en nu deze witte die, zo lijkt het wel, speciaal op mij gewacht heeft. Op dit moment voel ik dat er méér is dan wat mijn ogen zien. Een vraag komt in mij op: wat betekent dit? Internet geeft onmiddellijk het antwoord:

 

‘Het witte konijn is een teken van de mogelijkheid tot spirituele verlichting en een ontmoeting met het Goddelijke. Het witte konijn symboliseert een uitnodiging om uit het gewone leven te stappen en een buitengewone reis te gaan maken.’ 

 

Ik ben verrast. Het is alsof de weg zelf tegen mij spreekt. Iets – een aanwezigheid, een kracht, een gids – vergezelt mij.  

 

De magie van de Camino onthuld door een wit konijn! 


__________________________________________________________________

Een persoonlijke inleiding

Langs de Camino is een onzichtbare magische wereld met een beschermende bewaker die je zal begeleiden en die op je wacht om je geluk te geven....

Santiagus

 

  

‘The Camino provides’ luidt een bekend gezegde. Tijdens mijn duizenden kilometers op de Camino stapelden de toevalligheden zich op, zó precies getimed dat het moeilijk was vol te houden, dat ‘het Universum’ zoals ik het meestal noem, daar part noch deel aan zou hebben. Gaandeweg groeide het vertrouwen in een onzichtbare aanwezigheid van een begeleider die je opwacht en geeft wat nodig is.

Tegelijkertijd zag ik iets anders groeien: mijn zorgen over de toenemende commercie in dienst van steeds grotere aantallen pelgrims, toeristen, luxelopers en e-bikers. Dat kan het authentieke karakter van de Camino onder druk zetten. Echter, van zorgen word je niet wijzer en de Camino wordt er ook niet beter van.

Als tegenwicht schreef ik dit boek, een gids op de weg naar de onzichtbare magische wereld van de Camino. Het is een uitnodiging om uit het gewone leven te stappen en een buitengewone en soms miraculeuze reis te maken.


__________________________________________________________________

Waar het niet en wél over gaat

 

Als informant bij het Nederlands Genootschap van Sint Jacob krijg ik vaak vragen van mensen die hun eerste stappen richting Santiago overwegen: Wanneer kan ik het beste vertrekken? Hoe werkt het openbaar vervoer? Waar begin ik? Voor al die praktische zaken bestaan uitstekende gidsen, websites en fora. Daar heb ik niets aan toe te voegen.

Dit boek is dus géén reisgids in de gebruikelijke zin. Je zult hier geen lijstjes vinden met adressen van eetgelegenheden, slaapplaatsen, bezienswaardigheden of historische feiten. Ook gaat het niet over wie er wel of niet ‘thuishoort’ op de Camino. Iedereen kiest zijn eigen weg, zolang er maar respect is voor elkaar en voor de natuur. Wil je fietsen over de Camino of een snelheidsrecord neerzetten? Prima. Loop je liever in een groep, met een reisorganisatie, te paard of zelfs verkleed als middeleeuwse monnik? Ook goed. Met een hond, een ezel, of alleen met je rugzak? Het pad wijst niemand af. De Camino is van iedereen.

Geen voorschriften dus over de manier van voortbewegen. Soms bepalen fysieke of mentale beperkingen of omstandigheden welke vorm van reizen haalbaar is. Eén ding staat vast: geen enkele keuze voor vervoer of tempo kan verhinderen dat de magie van de Camino zich onderweg laat ervaren. Dat geldt ook voor de motivatie waarmee iemand op weg gaat. Uiteindelijk is de Camino een openbare weg die door eenieder gebruikt kan worden – pelgrim of niet – maar de vraag blijft, welk gebruik het meest recht doet aan het oorspronkelijke karakter van deze eeuwenoude pelgrimsweg.

Wie de Camino wil beleven als méér dan zomaar een lange wandeling, laat de stapel reisfolders thuis en vertrekt met vertrouwen, nieuwsgierigheid en een open hart. Daar gaat het over in dit boek. 


__________________________________________________________________

Voor wie dit boek is

 

Je hebt gehoord over de Camino naar Santiago en over de magie die pelgrims soms onderweg ervaren. De paden die na honderden of zelfs duizenden kilometers uitkomen op het grote plein voor de kathedraal. Je droomt erover en je wilt weten hoe het zou zijn om daar zelf te lopen. Voor jou komt dit boek op het goede moment. Het helpt je van verlangen naar vertrek: wat je echt moet weten, wat je mag loslaten en het vertelt je hoe de Camino je kan verrassen met wat de weg je geeft.

Misschien ben je niet zo ver. Je hebt wel eens gedacht een Camino te ‘doen’, maar telkens is er iets tussen gekomen: andere prioriteiten, overvolle agenda’s, een lijf dat protesteert. Misschien heb je het idee van een Camino zelfs van je afgezet omdat je vindt dat je te oud bent, niet sterk genoeg of te onbeholpen met kaartlezen of wat dan ook. Misschien ben je bang voor honden, wolven, wilde zwijnen of voor sommige mensen onderweg en voel je een afkeer voor slaapzalen met stapelbeden vol snurkende mensen. En toch: ondanks alle twijfels en bezwaren blijft de Camino fluisteren dat je kunt komen.

Dit boek wil je over deze drempels helpen en tegelijkertijd de deur naar iets groters op een kier zetten. Want de Camino is méér dan een gewone wandeling of een leuke vakantie. Het is een weg die je geeft wat je op precies het juiste moment nodig hebt: een blik van verstandhouding, de schaduw van een boom, een inzicht, een vriend, een wending in je leven. 

Zou jij de Camino ook willen ervaren als een pelgrim – en onderweg de diepere, spirituele dimensie ontdekken – dan kan dit boek een waardevolle gids zijn van de eerste gedachte naar de eerste stap. Je leert lichter te lopen en te denken en eerder te vertrouwen op de goedgunstigheid van het lot. Zo groeit lopen uit tot pelgrimeren: een spirituele ontdekkingsreis op een weg die niet wil bewijzen en je uitnodigt te komen zoals je bent. 

 

Maar wat bedoel ik precies met de woorden Camino, pelgrim en pelgrimeren? Dat vertel ik je in het volgende hoofdstuk.


__________________________________________________________________

Pelgrimeren – meer dan lopen

 

Camino is het Spaanse woord voor weg. De Camino de Santiago – vaak kortweg ‘de Camino’ genoemd – is letterlijk de Weg van Santiago. Maar het is niet zomaar een weg. Het is een eeuwenoude pelgrimsroute naar de relieken van Sint Jacobus in de kathedraal van Santiago de Compostela. Door de eeuwen heen gingen mensen op pad om uiteenlopende redenen: als straf of boetedoening, om vergiffenis van zonden te vinden, verlichting van geest te ervaren of om aflaten te verkrijgen. Anders dan bij een gewone Grand Randonnée wandel je op de Camino niet enkel omwille van het plezier van het lopen. Je treedt in de voetsporen van een eeuwenoude pelgrimstraditie, die onder elke stap een diepere laag van betekenis legt.

Een zichtbaar bewijs van de voltooide tocht is de compostela, het officiële pelgrimsgetuigschrift dat de kerk uitreikt. Het document bevestigt met een plechtige tekst, dat de pelgrim de laatste honderd kilometer te voet, tweehonderd kilometer per fiets of een deel te paard heeft afgelegd en de kathedraal van Santiago heeft bezocht. Op zichzelf belooft het niets: geen gegarandeerde aflaat of vergeving. Toch beschouwen velen het als een waardevol symbool, een ritueel dat de reis bezegelt. Tegenwoordig lopen veel pelgrims meer om persoonlijke of spirituele redenen, op zoek naar betekenisvolle ontmoetingen, helende inzichten en innerlijke groei. Het doel ligt minder in de relieken en meer in de weg zelf, waarbij Santiago het fysieke eindpunt vormt van een innerlijke ontdekkingstocht.

Toen ik zelf mijn eerste stappen zette richting Santiago, dacht ik dat een ‘echte’ pelgrim per se een gelovige katholiek moest zijn, onderweg naar de relieken van Sint Jacobus. Weliswaar nam ik mij voor om de tocht met een spirituele intentie te beleven – meditatief lopen noemde ik het – maar aarzelde om mezelf pelgrim te noemen. Ik was geen praktiserend gelovige en stond sceptisch tegenover de authenticiteit van de relieken. Dat ben ik eerlijk gezegd nog steeds, maar gaandeweg begon ik te begrijpen dat niet het graf, maar de weg zelf het werkelijke doel is: de Camino met zijn transformerende potentie. Daardoor kon ik mij steeds meer herkennen in de rol van pelgrim, als iemand die onderweg leert luisteren naar wat de weg openbaart.

Eeuwen geleden was een pelgrim iemand die naar een heilige plaats reisde. Nu wordt de weg zelf steeds vaker als heilig ervaren. Pelgrims getuigen keer op keer in boeken en op het web van ervaringen die moeilijk louter toeval genoemd kunnen worden. De beloning ligt niet alleen bij de eindstreep, maar in de ervaring van iedere dag. Het begrip pelgrim is daardoor verruimd: van bedevaarder naar spirituele ontdekkingsreiziger. 

Je loopt niet om iets te bewijzen, maar om je toe te vertrouwen aan de Camino. Wie zich zo openstelt, ontvangt onderweg de geschenken die de weg in stilte aanreikt.


__________________________________________________________________

Voorbereiden op de Weg

 Z=AxBxCxPxW. In woorden: de zwaarte van het wandelen wordt bepaald door de factoren afstand, bagage, conditie, parcours en weer.

Jeroen Gooskens, Ver onderweg.

 

  

Mensen vragen mij vaak: Wat is de mooiste route? Het antwoord is eenvoudig: alle routes zijn mooi. De schoonheid hangt niet af van de bergen, de zee of kerken die je onderweg ziet, maar van een besluit om op de Camino gelukkig te zijn, wat er ook gebeurt. Dat geluk vraagt een goede voorbereiding, niet alleen fysiek maar ook in je hart, om straks vol vertrouwen op weg te gaan en volop te profiteren van de bijzondere waarde van de Camino. Dan zal je zien hoe wonderlijk mooi het lopen van de weg kan zijn, zelfs als die over een industrieterrein loopt. 

In de volgende hoofdstukken vertel ik je daarom wat ik aan voorbereidingen doe voor een pelgrimstocht. Een complete maar eenvoudige uitrusting en een goede fysieke en mentale training zijn onmisbaar om op weg te gaan zonder je zorgen te maken, want zorgen over wat er allemaal mis zou kunnen gaan staan geluk in de weg. 


__________________________________________________________________

Bagage: licht en eenvoudig

 

Over rugzakken, kleding en je verdere uitrusting is op internet eindeloos veel te vinden. Dat maakt het niet makkelijk om tot een keuze te komen. Over iets eenvoudigs als het gewicht van de rugzak en wat je meeneemt zie je de meest uiteenlopende opvattingen en ook merk ik bijvoorbeeld telkens weer dat mensen het niet voor mogelijk houden dat een rugzak met alle noodzakelijke spullen niet meer dan zes kilo hoeft te wegen. Vaak ontbreekt het besef hoe je het gewicht van een complete uitrusting in de hand houdt. Daarom geef ik dit onderwerp hier ruim de aandacht. Het is belangrijk dat je dit goed voor mekaar hebt zodat je uitrusting niet letterlijk en figuurlijk als een last op je drukt, maar onderweg jouw vrijheid ondersteunt. 


__________________________________________________________________

De rugzak 

Er circuleert een vuistregel, dat de rugzak idealiter 10% van je lichaamsgewicht mag zijn. Deze regel gaat hooguit op als je niet meer dan zeventig kilo weegt. Er is geen logische relatie tussen het lichaamsgewicht en wat je kunt dragen. Mijn advies: altijd zo licht mogelijk. Beperk je basisuitrusting tot maximaal vijf kilogram of zeven als je een tentje met toebehoren meeneemt. Laat spullen thuis die je enkel meeneemt ‘voor de zekerheid als….’ Vertrouw erop dat de Camino erin voorziet, mocht je echt iets nodig hebben. Hoe meer je daar op vertrouwt, hoe lichter je rugzak, maar niet ten koste van alles. Gebruik je gezonde verstand en een weegschaal.

Als je op vlakke wegen loopt zal een kilo meer of minder niet veel uitmaken, in de bergen merk je het onmiddellijk. Ik ben wandelaars tegengekomen met vijftien kilo of zelfs nog meer. Soms zelfs met én een rugzak én een ‘borstzak’. Ik moet er niet aan denken! Bij mijn eerste Camino’s liep ik met een rugzak van ongeveer acht kilo, water en voedsel niet meegerekend. In de jaren daarna heb ik daar nog ruim drie kilo van afgekregen, zonder in te leveren op comfort. Een rugzak van vijf tot zeven kilogram voel je na een paar dagen niet meer en is voor bijna iedereen prima te doen. Bovendien maakt het je onafhankelijk: je hoeft geen bagagetransport te regelen zodat je kunt stoppen waar je maar wilt. Die vrijheid is onbetaalbaar.

Natuurlijk moet je rugzak van goede kwaliteit zijn en goed afgesteld in een gespecialiseerde winkel, maar let vooral op het gewicht van de rugzak zelf want voor je het weet loop je met een exemplaar van twee kilo of meer, terwijl er ook modellen van minder dan een kilo bestaan. Een inhoud van vijfendertig liter is voor mij genoeg. Ik verstop er een tag in zodat ik in mijn telefoon snel kan zien waar die is, mocht ik hem kwijtraken. 

Wat gaat mee in de rugzak? 

Een handig principe is, dat sommige spullen meerdere functies krijgen. Mijn regenjas dient bijvoorbeeld ook als windstopper én als regenhoes over mijn rugzak. Dat scheelt al gauw een halve kilo.

Aan kleding gaat alles mee wat ik voor alle omstandigheden nodig heb: warm, koud of nat weer. In de zomer kan het wat minder zijn dan in de winter, maar houd er rekening mee, dat het ’s avonds koud kan worden, vooral als je hoog in de bergen zit.

Broeken: één lichtgewicht korte broek. Het is mijn reservebroek die ik aantrek als mijn lange wandelbroek in de was gaat. 

Shirts en ondergoed: één merino T-shirt. Merino is niet goedkoop, maar droogt snel en het neemt haast geen zweetlucht aan, in tegenstelling tot synthetische sportkleding of katoen. Eén onderbroek. Die trek ik ’s avonds aan na het douchen en wissel ik dagelijks met het exemplaar wat ik de vorige avond heb gewassen. Die kun je zo nodig ook als zwembroek gebruiken.

Warme kleding: een fleece-jasje, soms ook nog een licht wollen truitje en een gewatteerd jasje. Zolang het niet vriest, is dit voor mij genoeg. Je kunt het op verschillende manieren combineren in laagjes naar gelang de temperatuur. Verwacht ik lagere temperaturen, dan neem ik ook handschoenen, een muts en thermokleding mee. Niet bang zijn, dat je het onderweg te koud krijgt. Wordt het kouder dan je had verwacht dan kun je altijd nog iets warms kopen en is je slaapzak ’s nachts niet warm genoeg, dan kun je de jas aanhouden, maar meestal zal het niet zo’n vaart lopen. 

Sokken: één of twee paar sokken. Niet meer. Onderweg zijn ze bij elke grotere supermarkt te koop. Sommigen zweren bij merino, anderen bij katoen, wol of speciale wandelsokken. Weer anderen lopen het liefst met teensokken. Zelf begin ik vaak met teensokken om blaren te voorkomen. Na een paar honderd kilometer heeft zich voldoende eelt gevormd, waarna ik met gewone sokken toe kan.

Regenkleding: net als bij sokken en schoeisel heeft iedereen een eigen voorkeur. Ik zie van alles voorbijkomen: een regenjack met een regenbroek met of zonder ritsen van boven naar beneden langs de pijpen om hem gemakkelijk aan te trekken, plastic (wegwerp-)poncho’s, paraplu’s. De ideale outfit bij veel regen heb ik niet gevonden tot nu toe. Ik gebruik een lichtgewicht regenjas met een rits aan de voorzijde en een extra bult aan de achterzijde voor over de rugzak. Ik maak de rits los en trek mijn armen uit de mouwen als de bui voorbij is. Dan hangt hij als een losse cape over mijn schouders te drogen: lekker luchtig, want vooral als het niet heel koud is, wordt het geheid zweten in een regenjas, ook als die zogenaamd ademend is.

Schoeisel: een paar lichtgewicht slippers.

Wat nog meer?

Een spork: lepel en vork in één. 

Een simpele ijzeren S-haak: handig om spullen aan op te hangen. 

Toiletspullen, met name een sneldrogende lichtgewicht handdoek. 

Een zitmatje.

Eventueel een hoofdlamp. Vooral fijn als de dagen kort zijn.

Een telefoonoplader inclusief snoer.

Een tasje met daarin ontsmettingsmiddel, een tekentang, een nagelschaartje, eventuele medicijnen, sporttape en een paar steriele gaasjes en pleisters. Zelfs als je het zelf niet nodig hebt, is het fijn als je er een andere wandelaar mee kunt helpen.

Neem oordopjes mee als je niet wakker wilt liggen van snurkende pelgrims.

Verder een heuptasje of een documententasje met een koord, waar je papieren in zitten en die je om je nek kan hangen als je je rugzak ergens moet achterlaten.

Altijd neem ik, afhankelijk van het seizoen, een slaapzak of een lichtere fleecedeken mee.

 

Alles gaat bij mij op een weegschaal. Moet ik bijvoorbeeld kiezen tussen twee dezelfde soort truitjes, dan gaat de lichtste mee. Vervolgens zet ik alles in een Excel-bestand zodat ik precies zie wat het resultaat is van mijn wikken en wegen. 

Om overzicht te bewaren, berg ik mijn spullen op in drybags van verschillende kleuren. Zo blijft het droog en compact en vind ik het gemakkelijk terug in de rugzak. 

 

Achter in het boek staat een lijst van wat ik meeneem. Daar staan ook spullen bij die extra meegenomen kunnen worden voor wie wil kamperen.

Kleding en schoeisel 

Een lange merino(-mengsel) broek. Die is licht, plakt niet en is snel droog na een regenbui of een wasje. Als het ’s nachts koud is, dan gebruik ik hem ook als pyjamabroek. Aan de binnenzijde heb ik twee minizakjes met een drukknoop-sluiting waar een ID-kaart en een betaalkaart in kan. Worden al mijn spullen gejat, dan kan ik toch verder, tenzij ze ook nog m’n broek uittrekken. Als ik door hoog gras loop stop ik de broekspijpen in m’n sokken om teken buiten te houden. Verder draag ik een merino T-shirt, aangevuld met laagjes kleding uit de rugzak: een fleecejasje, een wollen truitje, een gewatteerd jasje en eventueel ook nog een regenjas/poncho. Een pet of een hoed. De laatste beschermt de nek en de oren beter als de zon fel schijnt.

Schoenen is iets waar iedereen anders over denkt. Voor mij geldt: hoe lichter hoe beter, want het gewicht aan je voeten voelt minstens dubbel zo zwaar als hetzelfde gewicht in je rugzak. Sommigen willen enkel-hoge schoenen, zelf heb ik het liefst lage trailrunners: licht en snel drogend, maar in het regenseizoen zijn hoge dichte schoenen beter. Ze moeten, omdat je voeten bij lange tochten opzwellen, minstens een maat groter zijn dan wat je gewend bent. De zolen moeten een goed profiel hebben. 

Speciale inlegzooltjes kunnen helpen, bijvoorbeeld voor extra steun van het voetgewelf. Bij aanhoudende regen zijn de meeste schoenen uiteindelijk niet waterdicht. Neem een extra stel inlegzooltjes mee voor als de zooltjes nat zijn geworden. 

Ik hoorde enthousiaste verhalen over waterdichte sokken, maar heb daar (nog) geen ervaring mee.

Wandelstokken 

Ook over wandelstokken wordt eindeloos gediscussieerd. De één zweert er bij, de ander moet er niets van hebben. Het varieert van een eenvoudige stok of tak tot dure opvouwbare lichtgewicht carbon stokken. Zelf loop ik bijna altijd met stokken. Zie maar in de praktijk wat jou het beste bevalt. Eén ding is zeker: met stokken krijg je geen dikke handen bij het lopen en je houdt er vervelende honden mee op afstand. Vaak mogen ze niet mee in de cabine van een vliegtuig, waardoor je extra kosten maakt voor ruimbagage.

Wat ik thuislaat 

De Camino vraagt niet om een uitrusting waarmee je dagenlang zelfvoorzienend in de wildernis kunt leven. Laat kooktoestellen, pannen, borden, bekers, uitgebreide noodvoorraden of reservekleding gerust thuis. Ik herinner mij iemand met een rugzak van 16 kilo. Hij wilde overal een kop koffie kunnen zetten. Zo werd de angst voor een koffieloze dag een zware last. Geen koffie, dat wordt afzien zal je misschien denken en inderdaad als je dat verwacht, dan wórdt het afzien. Zelf heb ik in de honderden dagen op de Camino misschien tien dagen geen koffie gehad.  

Geef het Universum een kans om je te verrassen en je te geven wat je nodig hebt. Laat alles thuis wat je weghoudt uit het hier en nu en waarmee je op de Camino prima zonder kunt: oortjes, e-readers, boeken enzovoort. Maak niet alleen je rugzak zo licht mogelijk, maar ook je gedachten en oordelen.


__________________________________________________________________

Fysieke voorbereiding 

‘Het geluk van de wandelaar’ is de titel van een boekje, rond 1925 geschreven door Stephen Graham en recent in het Nederlands verschenen. Graham was een hartstochtelijk wandelaar, die de halve wereld afliep en het liefst de nacht in de natuur doorbracht. Zijn uitrusting had niet de technische verfijning zoals wij dat tegenwoordig kennen, toch geeft hij interessante adviezen die nog steeds actueel zijn en filosofeert hij over het nut en de intrinsieke wijsheden van het wandelen. Los van achterhaalde inzichten zoals zijn lofzang op het roken van tabak, komt in dit boek de essentie van het wandelen als een gezonde en inzichtgevende levenskunst mooi naar voren. 

Hier hoop ik dezelfde waarden te laten zien. Te beginnen bij iets heel concreets: een beschrijving van de noodzakelijke fysieke maatregelen voor een geslaagde Camino. 


__________________________________________________________________

De training vooraf 

Het is misschien overbodig te zeggen dat je voorafgaand aan je lange wandeling zo veel mogelijk moet lopen, maar ik heb te veel wandelaars gezien die onvoorbereid op stap gingen, wat vaak problemen gaf. Wen je lichaam aan ritme en afstand. Loop naar je werk en terug naar huis. Laat de auto ergens onderweg staan en loop de laatste vijf kilometer naar je werk. Doe je boodschappen lopend. Maak één of twee keer in de week een lange wandeling en werk geleidelijk toe naar twintig kilometer of meer. Loop zo veel mogelijk je wandelschoenen en wandelsokken in. Neem de trap in plaats van de lift, al woon je veertien hoog. Elk beetje beweging helpt je om straks lichter en sterker te lopen.

Als het je lukt het gewicht van je rugzak beneden de vijf kilo te houden, dan hoef je niet veel met een gevulde rugzak te trainen. Wel is het verstandig om het lopen met je rugzak een paar keer uit te proberen. Lukt het niet de rugzak licht te houden, ga dan vaker met volle bepakking trainen. Maar beter kun je kijken, wat je er allemaal nog uit kunt gooien voor je vertrekt. 

De eerste dagen en weken op de Camino werken als een intensieve training. Loop in het begin van je tocht niet meer dan vijftien tot twintig kilometer per dag. Zo heb je minder kans op blessures. Je zult zien, dat je conditie in korte tijd met sprongen vooruit gaat en voor je het weet loop je met gemak dag in dag uit twintig tot dertig kilometer.

Blaren 

Een heel hoofdstuk over blaren? Jazeker. Want wie de Camino loopt, weet dat blaren een van de meest voorkomende ongemakken zijn. Het kan dus geen kwaad, hier iets langer bij stil te staan. Weet je zeker dat je geen blaren krijgt dan mag je dit stuk gerust overslaan, hoewel, je kunt andere lopers met blaren goed helpen als je toch even doorleest. Ik heb zelf op pijnlijke wijze geleerd wat wel en niet werkt bij blaren en hoe je blaren zo veel mogelijk voorkomt. Die ervaring deel ik graag.

Omdat je op de Camino elke dag een aanzienlijke afstand loopt wordt de huid van je voet vooral in het begin van je tocht kwetsbaarder dan je gewend bent en krijg je daardoor sneller een blaar. Sommigen gebruiken daar speciale voetsmeersels voor. Ik ben er niet zeker van dat het nut heeft en heb het nooit gebruikt, maar gebruik het als je denkt dat het helpt en doe verder alles wat zeker helpt om blaren te voorkomen. Dat betekent geschikte, goed passende schoenen en sokken. Wat geschikt is, is voor iedereen anders. Zoek dat ruim voor de aanvang van je wandeling uit.

Ben je op weg en merk je een branderig gevoel in de huid van je voet, stop onmiddellijk en plak er poreuze sporttape over. Met een beetje geluk voorkom je zo een blaar. 

Blaren zijn niet fijn maar een ontstoken blaar is zo pijnlijk, dat je het liefst geen stap meer zet. Zorg daarom, dat je steriel te werk gaat als je een blaar behandelt. Geen draadje erdoorheen trekken want dan trek je bacteriën mee naar binnen en die kunnen een ontsteking geven. Altijd de huid en schaar of naald ontsmetten, voordat je de blaar open maakt. Ik geef de voorkeur aan een klein scherp nagelschaartje en jodiumzalf (of een alternatief middel als je een allergie voor jodium hebt). Geeft een blaar weinig of geen pijnklachten, laat hem dan dicht zitten, dan komen er geen beestjes in, maar houd wel in de gaten, dat hij niet groter wordt en plak er sporttape overheen. Moet de blaar worden geopend om hem te ontlasten van het vocht wat er in zit, smeer dan eerst wat jodium zalf (Betadine) op de huid en op het schaartje. Knip daarna de blaar een klein beetje open. Je kunt de blaar ook met een naald openprikken, maar zo´n gaatje is erg klein, waardoor je kans loopt, dat het met dezelfde vaart weer sluit. Druk de blaar leeg en dek haar daarna af met poreuze sporttape waar het vocht van de blaar doorheen kan. De tape vormt een beschermende laag op de huid en blijft dagenlang zitten, ook bij het douchen. Wil je het helemaal goed doen, smeer dan wat jodiumzalf op de tape. Met deze aanpak kun je de volgende dag vrijwel pijnvrij verder lopen en loop je de minste kans op een ontstoken blaar.

 

Voor informatie over de behandeling en het voorkomen van allerlei andere fysieke ongemakken onderweg kun je eenvoudig terecht op het web. 


__________________________________________________________________

Mentale voorbereiding 

Begin met stil te zijn. Breng de buitenwereld tot zwijgen, zodat je innerlijke wereld je inzicht kan brengen.

Neale Donald Walsch

 

 

 

Wie wil dat de Camino méér wordt dan een sportieve prestatie of een toeristische tocht, ontdekt dat de mentale voorbereiding minstens zo belangrijk is als de fysieke. Het sleutelwoord daarbij is vertrouwen.

 

Richt je aandacht vanaf nu zoveel mogelijk op positieve gedachten over je aanstaande Camino. Verheug je op wat komt en laat doemscenario’s of zorgen voor wat ze zijn: niet meer dan gedachten. 

 

De volgende bladzijden zijn een weerslag van mijn eigen ervaringen. Laat je erdoor inspireren, maar doe vooral wat bij jou past. Uiteindelijk is het jouw weg. 



__________________________________________________________________

De Camino als spirituele reis 

De stem die mij roept voel ik veel dieper in mij.

Regel uit een gedicht van ‘E.G.B.’

 

 

 

Er wordt wel gezegd dat de talloze generaties pelgrims de Camino hebben geladen met een bijzondere energie, een kracht die zich kan uiten in gebeurtenissen die bijna als wonderen aanvoelen. Sommigen menen dat de ligging van de weg op oude leylijnen daar een rol in speelt, zoals kerken die op spirituele knooppunten gebouwd zijn en door oprechte devotie van de talloze bezoekers soms met een stille energie geladen lijken te zijn. Echter, zodra die plaatsen hun religieuze functie verliezen en een louter commerciële bestemming krijgen, vervaagt die kracht. Zo leeft ook de vrees dat de spirituele essentie van de Camino verzwakt door het toenemende toeristische succes inclusief bagagetransport, luxe hotels en volledig verzorgde arrangementen. 

Daarom loop ik met een spirituele intentie en niet als toerist. Focus primair op spiritualiteit en je zult merken dat het meer brengt dan een mooie wandeling én het helpt de ziel van de Camino levend te houden – net zoals oprechte devotie de stille kracht van een kerk voedt.

Loslaten en vertrouwen 

Begin thuis al met je mentale voorbereiding, te beginnen met het zorgvuldig samenstellen van je uitrusting: alles wat je echt nodig hebt en niets meer. En zorg dat je voldoende geïnformeerd bent, zodat je onderweg geen energie kwijtraakt aan twijfels.

Ben jij iemand, die alles onder controle wil houden? Probeer die controle los te laten. Loop in vrijheid en vertrouw erop dat de Camino, het Universum, God – of hoe je het ook noemt – voor je zorgt. Maak je geen zorgen over accommodaties onderweg, geen zorgen over wilde dieren of mensen, geen zorgen over verdwalen, ongelukken, ziektes, slecht weer en wat verder nog aan calamiteiten bedacht kan worden. Prent je in dat je het kunt en schenk geen aandacht aan twijfels en ergernissen, maar verheug je op je pelgrimage. Hoe meer je vertrouwt, hoe meer rust in je hoofd, hoe meer je intuïtie door het Universum wordt gevoed en hoe meer het geluk je toelacht. Oefen daarom met lopen in stilte en laat gedachten voor wat ze zijn. Schenk er geen aandacht aan. De cadans van het lopen helpt om je hoofd leeg te krijgen en je te ontdoen van oordelen, zorgen en andere veelal vluchtige gedachten. Je aandacht naar buiten gericht, in het bijzonder naar alles waar je blij van wordt. Praat minder en luister des te meer.

Reserveren of niet? 

‘Zowel arme als rijke pelgrims van welke herkomst dan ook, die uit Santiago vertrekken of daar aankomen, moeten gastvrij worden ontvangen en onthaald’

Codex Calixtinus, boek vijf: De gids voor de Pelgrim.

 

 

 

Het lijkt misschien vreemd om het hier over reserveren te hebben, maar het raakt de kern van je mentale voorbereiding: vertrouwen. Vaak heb ik ervaren dat het Universum voor mij een overnachtingsplaats ‘regelde’. Nooit had ik een probleem met het vinden van een slaapplaats. Meestal was ik in de eerste de beste herberg welkom zonder reservering. Soms maakte ik in de ochtend een reservering voor de komende nacht, soms voor de komende twee nachten. Soms kreeg ik een slaapplaats voordat ik doorhad dat er een probleem was met een bepaald overnachtingsadres. Zo stopte ergens in Frankrijk een automobilist zomaar voor mij. Hij reed mij naar één van de twee onderdakadressen in het nabijgelegen dorp. Beide adressen bleken te zijn gesloten. Vervolgens regelde mijn weldoener een alternatief adres vijftien kilometer verderop. Hij reed mij er naartoe en bood een biertje aan op een gezellig terras. Soms wordt het ‘vanzelf’ geregeld, zoals de keer dat ik werd ingehaald door een hardloopster. Zij knoopte een praatje met mij aan. Ik vroeg haar of zij een plekje voor mijn tent wist. Zij belde met de directie van een verzorgingshuis en regelde dat ik kon overnachten in de prachtige tuin van een leegstaand rusthuis. Soms met een duidelijk verzoek aan het Universum zoals die keer dat ik in België in een klein dorp een slaapplaats zocht en in mijzelf zei: “Vader Jacob, doe er wat aan!” Binnen een minuut kwam een auto aangereden. De chauffeur stopte, waarop ik hem vroeg of hij een plekje wist om mijn tent op te zetten. “Loop maar achter mij aan.” Honderd meter verderop stopte hij bij zijn bescheiden woning, bood mij een mooi beschut plekje aan in zijn tuin met uitzicht over de weilanden. Zo kan ik nog wel even doorgaan met het opsommen van dit soort ‘toevallige’ ontmoetingen. Het klinkt je misschien onwerkelijk in de oren, maar ik leerde steeds meer te vertrouwen dat problemen niet bestaan. 

Moet je dan nooit reserveren? Natuurlijk niet. Gebruik je gezonde verstand. Reserveer op routes met weinig plekken waar je kunt overnachten en ga niet op de bonnefooi als lokaal de vakanties losbarsten of als je in een groep loopt, maar laat je bij je zoektocht niet leiden door angst want dat staat je geluk in de weg.

Alleen, samen of in een groep? 

Een vriendschap wordt misschien door niets zozeer op de proef gesteld als door een lange trektocht. 

Stephen Graham

 

  

Zo is het precies en op de Camino is het niet anders, Stephen Graham schreef het een eeuw geleden al. Op de Camino win je vrienden en verlies je vriendschappen, wordt vaak gezegd. In het samen lopen kan veel energie verloren gaan. Samen lopen betekent de hele dag afstemmen en praten, wat het moeilijker kan maken om je te openen voor de innerlijke reis. 

Zelf loop ik het liefst alleen. Niet om contacten te vermijden – die ontstaan onderweg vanzelf, tijdens het lopen of ’s avonds in de albergue – maar omdat alleen lopen ruimte schept om af te stemmen op de weg, op jezelf en op het Universum. 

Het is aan jou om je keus te maken: alleen of samen lopen. Ben je op zoek naar de magie van de Camino dan kan je misschien beter alleen gaan lopen.


__________________________________________________________________

Aanbevelingen 

Het is een edele kunst; weet hoe je moet wandelen en je weet hoe je moet leven.

Stephen Graham

 

 

De Camino is meer dan een willekeurige lange afstands-wandeling of een leuk toeristisch uitstapje. In de reisverhalen die ik in dit boek met je deel zal je merken dat er talloze kleine wonderen zijn, vaak verborgen in alledaagse ontmoetingen net zoals wonderen in het dagelijks leven. Wonderen zijn er altijd en overal. Hoe langer je op de Camino bent hoe meer je daarvoor open staat. Dat is het mooie van de Camino. Dit boek wijst je de weg daar naartoe. Bovendien, door als pelgrim te lopen draag je ongetwijfeld bij aan het behoud van de spirituele essentie en het oorspronkelijke karakter van de Camino. 

Een paar aanbevelingen die mij onderweg hebben geholpen:

 

• gelukkig zijn is een beslissing;

• ga met vertrouwen in jezelf en het Universum;

• loop bij voorkeur alleen en richt de aandacht naar buiten, vooral op wat je blij maakt;

• laat thuis wat je afleidt van het hier en nu: problemen, oortjes, e-readers, boeken, enz.;

• praat minder, luister meer;

• neem alleen mee wat je echt nodig hebt. Maak je rugzak zo licht mogelijk en ook je gedachten;

• draag zelf je bagage zodat je kunt stoppen en verdergaan wanneer je wilt;

• neem de tijd, loop langere Camino’s;

• beweeg je voort op eigen kracht.

 

 

In één zin samengevat:

Geef het Universum de ruimte om tot je door te dringen en in je behoeften te voorzien.


__________________________________________________________________



DEEL 2 – DE WEG 

 

 

 

Doe het ook!

Loop, loop.

Trotseer je trots, je gemak.

Loop de blaren op je voeten.

Slaap in krakend stapelbed.

Slaap omringd door dierlijk snurken.

Slaap in bedompte hokken.

Sleep je hijgend bergen op.

Eet uit eenheidsworstenpot.

Loop en laaf je aan de liefde

van het Universum,

van de natuur en van elkaar

en nader tot jezelf,

liefst tot meer dan dat.

Loop, loop de Camino de Santiago.

 

Hoop en Mirakels

Esperanza y Miracle

 

Met de fysieke en mentale voorbereiding achter de rug komt er een moment dat je niet langer erover leest of plannen maakt maar daadwerkelijk vertrekt. Het is de stap van theorie naar praktijk, van voorbereiding naar vertrouwen. Terzijde: lopen in vertrouwen betekent onbevangen, maar niet naïef. Begin niet totaal onvoorbereid aan je dag en vooral. Zorg ervoor dat je voldoende eten en drinken bij je hebt, zeker als je niet precies weet of het onderweg te krijgen is en stem je tocht af op de weersverwachting.

Misschien vraag jij je af of je zo’n lange wandeling kunt maken. Mijn antwoord: zonder twijfel en waarom ook niet. Zolang je gezondheid het toelaat en je het echt wilt dan gaat het je lukken, want je bent niet het lijdend voorwerp van je omstandigheden, maar de schepper ervan.

 

In deel 2 vertel ik je hoe ik het doe. Ik neem je mee op twee van mijn Camino’s, die ik Calle de la Esperanza en Carrer del Miracle genoemd heb. Beide titels zag ik onderweg op straatnaambordjes, en ze vingen precies de essentie van mijn ervaringen. De eerste tocht draagt de kracht van esperanza – de hoopvolle verwachting dat het Universum mij onderweg geeft wat ik nodig heb. De tweede tocht is vervuld van miracles – wonderlijke gebeurtenissen die me diep raken.

Soms noem ik de wonderen in mijn reisverhalen een wit konijn. Vaak zitten ze verscholen in de tekst zoals konijnen zich verbergen in hun hol. Wonderen zijn er altijd en overal. Op de Camino leer je ze zien – soms pas achteraf, maar steeds opnieuw. Dat is de magie van de Weg. 

Calle de la Esperanza 

Calle de la Esperanza

Straatnaambordje in Mañeru
 

 

De Camino Francés is de klassieke pelgrimsroute van Saint-Jean-Pied-de-Port naar Santiago de Compostela. Pelgrimspaden uit alle hoeken van Europa komen samen in St. Jean, gelegen aan de voet van de Pyreneeën in Zuidwest Frankrijk. Talloze pelgrims vertrekken van hier richting Santiago, vaak in de hoopvolle verwachting van ontmoetingen en ervaringen die hun leven verrijken: met recht noem ik deze tocht een Calle de la Esperanza – de Weg van de Hoop.

Speciaal voor dit boek koos ik ervoor deze Camino zonder enige reservering te lopen. Want de kern van dit boek is eenvoudig dat de uitdrukking ‘de Camino provides’ geen loze kreet is en het Universum – of hoe je het ook wilt noemen – je precies op het juiste moment en plaats voorziet in je behoeften.

Niets was vastgelegd, geen zekerheid vooraf. Juist op de drukste Camino, en in september, de bijna drukste maand van het jaar. Om bevestigd te krijgen dat het werkelijk mogelijk is, je volledig toe te vertrouwen aan die bijzondere weg, waar altijd een onderdak, een oplossing of een onverwachte wending op je wacht. En vaak nog veel meer dan dat. 

Zo begon mijn Calle de la Esperanza.

Op weg naar Bayonne 

Ongereserveerd op weg

 

 

Willem, it was nice to meet you today. Thank you for talking with me and helping me to not feel anxious. I wish you joy in your journey and luck with your book.’ Zo appt Aubrey in de loop van de dag. In het station van Rotterdam Centraal zat zij naast mij op een bank te wachten op de trein naar Brussel, dezelfde trein die mij naar Parijs zou brengen. De trein van acht uur, die wij beiden geboekt hadden, was uitgevallen. Aubrey was onzeker of ze het allemaal wel goed had begrepen. 

De volgende trein zat overvol; we mochten mee, maar zonder gereserveerde plaatsen. We belandden in het gangpad, waar we pratend en met grapjes de tijd doorbrachten. Aubrey wilde een selfie met mij. Daar had ik geen bezwaar tegen en ook niet tegen de hug die zij mij aanbood toen zij in Brussel uitstapte. Een mooi mens – zomaar op mijn pad. 

 

Op een hard stoeltje in een restauratiewagen overdenk ik de eerste uren van mijn pelgrimage. Tot Parijs Gare du Nord heb ik in een stampvolle trein gestaan. De tijd vloog dankzij leuke gesprekken en de kortstondige vriendschap met Aubrey. Ik vergat in de trein een kaartje te kopen voor de metro, wat handig zou zijn geweest want in Gare du Nord staan altijd lange rijen voor de ticketautomaten: lastig als je weinig tijd hebt voor de rit naar Gare Montparnasse. Rustig wachtte ik op mijn beurt en kocht met hulp van een spoorbeambte een kaartje. Mijn gereserveerde trein op Gare Montparnasse was allang vertrokken toen ik daar aankwam. Gelukkig mocht ik zonder reservering mee met de volgende, maar ik had geen zin in nog eens vier uur gangpad. Daarom vroeg ik Vader Jacob om mij gunstig op te stellen op het perron, en dat deed hij: de restauratiewagen met allemaal vrije plaatsen stopte precies voor mijn neus. 

Het stoeltje mag dan hard zijn, ik zit tenminste, met dank aan het Universum. Intussen schiet het Franse land met meer dan driehonderd kilometer per uur en veel geraas aan mij voorbij. Bossen, velden met zonnebloemen, stille dorpjes, te mooi voor dit tempo. Ik wil daar lopen. 

Het geluk houdt op als ik ontdek, dat ik in het verkeerde deel van de trein ben gaan zitten. Dat had Jacob niet door, de conducteur evenmin en ik zie pas na een uur dat we de verkeerde kant opgaan. Op het eerstvolgende station uitstappen. Na een hele natte regenbui op het station van Pau retour Bayonne. Nog een uur langer in de trein. Of is het toch een geluk, dat mijn trein al na twintig minuten komt? Het past in ieder geval in mijn plan om zonder reserveringen te reizen. Dat zorgt voor verrassingen. 

In Bayonne wachten mij nog meer verrassingen: de trein naar Saint-Jean-Pied-de-Port rijdt niet. Er zijn bussen ingezet. Die doen er twee keer zo lang over. Dan zou ik pas om tien uur aankomen. Veel te laat, dus loop ik in de avondzon door deze mooie Franse stad naar een herberg, waar ik wel eens eerder de nacht heb doorgebracht. De kleine herberg zit vol maar de vriendelijke oudere hospitalero improviseert een extra bed. Ik krijg een kopje thee en een mede-pelgrim uit het Verre Oosten geeft een nectarine en een bakje yoghurt. Wat een hartelijk welkom. 

Ondanks de schijn van tegenslag is de reis voor mij goed begonnen. Niets gereserveerd. Geen trein, geen bed – en toch zit ik goed in deze herberg van Bayonne. Morgenochtend zal de trein naar Saint-Jean-Pied-de-Port wel rijden.

Camino Francés

‘Camino is een weg naar binnen, die je alleen doet en waarbij stilte essentieel is.’

Hospitalero van Casa Paroquial Hospital de Peregrino, Tosantos. 

 

  

Roncesvalles 

Na een korte nacht dankzij het hoesten van twee medereizigers en het gewiebel van mijn benedenbuurman in het stapelbed begin ik aan het ontbijt. Twee stukjes geroosterd stokbrood en een mok koffie. Dat is niet genoeg. Het moet nodig worden aangevuld met broodjes van een bakker. 

In de stoptrein naar Saint-Jean-Pied-de-Port. Om mij heen zit een groep van vijf wandelaars met grote goed gevulde rugzakken en een dagzak, die al groot genoeg lijkt voor een halve wereldreis. Giechelend zoeken ze in een wirwar aan tasjes naar hun treinkaartjes. 

In Saint-Jean-Pied-de-Port is het stil. De meeste wandelaars zijn ver voor zevenen vertrokken. Ik besluit meteen verder te gaan en koop broodjes voor de lange tocht van vandaag. Het is al half tien, dus wordt het laat voor ik Roncesvalles bereikt heb. Toch heb ik het vertrouwen, dat daar een bedje voor me klaarstaat en niet alles door de vroege vogels is bezet. 

Het is niet druk op de Camino. Bijna de hele dag gaat het omhoog en dat valt vies tegen. Het spannendste is een kudde van wel vijfentwintig paarden, die recht op mij af galopperen, te snel voor een foto. Het is een heldere zonnige dag. De bergen zijn mooi. Een enkele arend cirkelt in de lucht.

Mijn linkerknie gaat pijn doen in de laatste lange afdaling. Onderweg goed eten en drinken is heel belangrijk voor een geslaagde wandeling. Daar kom ik vandaag met schade en schande achter. Te weinig eten meegenomen, te weinig energie en ik betaal de prijs: uitgeput kom ik in Roncevalles aan. 

In het winterverblijf van de refugio is een soort noodbed vrij. Simpeler kan het niet, zelfs geen stopcontact, maar wel een overdaad aan mottenballen. Snel door naar de pelgrimszegen. De dienst is al bijna voorbij, maar de zegen pik ik nog net mee, onder toezicht van een zilveren Mariabeeld. 

In het aangrenzende hotel schuif ik aan voor een pelgrimsdiner en dat is maar goed ook want ik heb honger en in dit voormalige kloostercomplex is niets anders te krijgen. Goed eten is niet vanzelfsprekend. Hier is goed synoniem met veel. Veel macaroni, veel onbestemde soep, veel kip die ik ervan verdenk een oude haan te zijn geweest en die ik vanwege een dubieuze kleur op mijn bord laat liggen. Een ijsje toe. Veel voor weinig geld. 

Het is tien uur. Bedtijd. Het licht wordt onverbiddelijk uitgedaan door de Nederlandse hospitalero. Bij mij ging het al veel eerder uit.

Urdaniz

Het lot heeft beslist, dat ik moet leren om tussen vier buitengewoon adipeuze en snurkende figuren een positieve stemming te handhaven en te slapen. De vier douches hier zijn te krap voor deze mensen en dat kun je ruiken. Dát en een gast die om vier uur 's nachts zijn biezen pakt maakt de nacht tot een leerzame ervaring, een oefening in tolerantie. Mijn bovenbuurvrouw vlucht naar de keuken en slaapt op een paar losse kussens. Dat moment grijp ik aan om van het hoofd- het voeteneind te maken, weg van het snurkende hoofd van mijn geurige buurman. Het blijkt niet te helpen: ook daar ligt een geurig iemand te snurken. 

Om zes uur gaat het licht aan. De meesten zijn dan al volop bezig in te pakken. De krappe douches hebben heerlijk warm water. Dankzij het haakje wat ik bij mij heb en de luxe van een handdouche slaag ik erin mijn kleding in een hoek van de douchecabine op te hangen en toch droog te houden. 

Iedereen haast zich om deze plek zo spoedig mogelijk te verlaten, en dat begrijp ik. Het schemert nog en het is fris buiten. Mijn knie die gisteren in de afdaling plotseling pijn ging doen voelt vandaag een stuk beter. Voorzichtig lopen, vooral bergaf. 

Afwisselend landschap, veel bospaden en kilometers vrijwel onbegaanbaar pad. Dat schiet niet op. Enkele dorpen waar koffie is te krijgen. Jean-Marc wil met mij op de foto. Aardige vent, hij zat gisteren bij mij aan tafel. Ook een stel Spanjaarden, vanwege de Baskische baret op mijn hoofd. 

Ik geef zomaar zonder duidelijke reden een wit plastic minikonijntje, symbool van een buitengewone reis, aan een dame uit Taiwan. Ik heb een stel meegenomen om hier en daar uit te delen. Voor háár aanleiding een speldje met de Taiwanese vlag aan mij te geven. Voor de vorm maak ik het vast aan mijn baret, maar ik neem mij voor het aan een andere Taiwanees door te geven. 

Ik blijf trouw aan mijn voornemen tot in Santiago geen slaapplaats te reserveren en elke dag na omstreeks vijfentwintig kilometer bij de eerste de beste herberg aan te kloppen.

Een oude brug geeft toegang tot een mooi dorp, Zubiri, waar geen slaapplaats onbezet is. Het krioelt er van de rugzakkers. Een paar kilometer verderop vind ik een rustige albergue met een bed, een zwembad, een wasmachine, Shannon uit Utah, Nuria uit Madrid en een vriendelijke hospitalero, die voor de tien gasten kookt en dat heel goed doet. Het is gezellig aan tafel. Er wordt veel gelachen. De herberg is met mij completo. Mijn bed was het enige wat niet door iemand gereserveerd was. San Tiago hield het vrij voor mij.

Cizur

Goed geslapen, maar helaas wel verkouden wakker geworden. Ik verdenk de hoestende mensen in Bayonne als oorzaak. 

Op weg. Na een kilometer terug voor mijn baret die in de herberg is blijven liggen. Mooie paden langs een snelstromende rivier. Het geruis van stroomversnellingen overstemt het verkeerslawaai van de doorgaande weg aan de overzijde. De herfst is in aantocht: heesters en bomen met kleurige bessen. 

Pamplona is mooi, maar niet mooi genoeg om er te blijven. Bovendien veel bordjes met 'completo’. 

In de herberg van de Maltezer Orde, een paar kilometer buiten Pamplona, is volop plaats. Niet veel kilometers vandaag, maar snotterend meer dan genoeg. Daar tref ik een jongedame uit Taiwan, vijfentwintig jaar jong. Lief koppie met pony. Yo is haar naam. Eerder vandaag zag ik al Taiwanezen, maar pas nu besluit ik het vlaggetje van Taiwan dat ik gisteren toevallig kreeg, weg te geven. Ze straalt en vertelt, dat zij op zoek was naar zo’n speldje en dat ze het niet kon vinden. Ik denk dat ik het gisteren kreeg om het haar te kunnen geven. Zo werkt dat op de Camino. 

Yo heeft onder beide voeten grote blaren. Ze had gelezen dat je een draadje erdoorheen moet halen. Dat is een hardnekkig misverstand en het slechtste wat je kunt doen. Ik behandel haar professioneel en geef een minikonijn als troost. Daarna wil zij met mij op de foto. 

Sophie, die gisteren naast mij aan tafel zat komt binnenlopen. Zij brengt een caminovriendin mee, Beth uit de VS. We besluiten samen naar een restaurantje te gaan. Joe uit België sluit aan en ook Yo en een jongedame, Tal, uit Israël. Het is een bont gezelschap van solo-lopers, allemaal zonder reserveringen. Er is warmte, er is lachen, er is goed eten en er is een gezellige serveerster. 

We moeten ons haasten om voor half tien terug te zijn, want dan doet de hospitalero de deur op slot. Als pelgrim heb je alle vrijheid, maar de hospitalero heeft het laatste woord.

Puente la Reina. 

Weinig geslapen, veel gesnotterd. Ik voel me beroerd, maar paracetamol brengt redding. Yo is blij met haar voeten die geen pijn meer doen. Mijn linker knie is pijnvrij, ook dat is fijn. 

Mooi golvend landschap en een steil en modderig pad naar een indrukwekkend uitzichtpunt waar een stalen optocht van pelgrims staat opgesteld. Er zijn opvallend veel jongedames uit Taiwan. Met vier van hen heb ik een praatje.

Puente la Reina is een fraai stadje met meerdere albergues. Ik kies één in de stilte buiten de stad. Het is groot en ongezellig, net een camping in de zeventiger jaren. Ik doe het ermee. Tot nu toe heeft het weinig moeite gekost om een bed te vinden, ondanks weinig positieve voorspellingen en adviezen van ervaringsdeskundigen zoals “neem maar een luchtbed mee voor in een brandweerkazerne” of “reserveer in ieder geval in Saint-Jean-Pied-de-Port en Roncesvalles” of “in september zijn er grote feesten in Spanje, dan zijn alle grote steden volgeboekt”. Hoe meer ik dat soort geluiden hoor, hoe sterker mijn overtuiging wordt, dat reserveren bijna een collectieve dwanghandeling is. Veel mensen zeggen: “de Camino provides” maar waarom zou dat in Saint-Jean-Pied-de-Port, Roncesvalles en de grote steden in september niet het geval zijn?

Azqueta

Vandaag loop ik door een weelderig landschap van heuvels, geoogste akkers en rijpe vruchten van rozen, vlier, eik, druif en vijg. Onderweg krijg ik de groeten van Yo, overgebracht door een andere Taiwanese die me aan mijn baret herkent. 

Deze dag, dag vijf, is knuffeldag. Dat begint ‘s ochtends vroeg met een jongedame uit Hongarije, een militair, die opgeleid is om oorlogsslachtoffers, al dan niet compleet, van het slagveld te evacueren. Zij liet mij gisteravond haar kostbaarheden zien, waaronder een wit pluche konijntje, wat zij kreeg toen zij, twee jaar oud, geadopteerd werd. Voor haar symbool van thuis en troost. Zij heeft het altijd bij zich. Uiteraard krijgt zij één van mijn minikonijnen, inclusief bijbehorend verhaal. Zij vraagt beleefd om een hug. De tweede omhelzing is van een dame uit de VS, die net als ik een Baskische baret draagt, maar dan rood. Ik geef haar het adres van de mooiste hoeden- en barettenzaak in Santiago. Zij kan niet verder zonder hug en ook zij vraagt er netjes om. De derde is van Beth als zij afscheid neemt om naar haar gereserveerde pelgrimsslaapfabriek te gaan. Later krijgt zij spijt en loopt zij liever door naar mijn albergue, die een stuk gezelliger is. De vierde is Helene, de hospitalera van herberg ‘Perla Negra’ in Azqueta. Wij zijn blij elkaar terug te zien. Twee jaar geleden hoorde zij in flarden mijn konijnenverhaal terwijl ik het een andere pelgrim vertelde. De volgende ochtend vroeg zij mij of ik het verhaal ook aan haar wilde vertellen. Het resulteerde in een ontroerend gesprek en veel later dan de bedoeling was ging ik die dag verder lopen. Wij zijn elkaar nooit vergeten. Zij gunt mij hetzelfde bed als twee jaar geleden: op zolder in een eigen kamer bij een open raam. Ik voel mij een speciale gast.

Wat is dit dorp stil! Ik zit buiten op een bankje. De zon gaat eindelijk schijnen, vandaag. Ik slobber een kwart liter wijn op, onderweg getapt bij een bodega met twee kranen in de muur, één voor water, één voor rode wijn, elke dag goed voor honderd liter. Gratis en alleen voor pelgrims. Ik weet niet of elke plaatselijke wijnliefhebber zich aan deze restrictie stoort. De vorige keer kwam ik er om zes uur ‘s middags langs. Te laat, geen wijn. Het is een simpel wijntje, maar wat is heerlijker dan wijn als water te tappen en te drinken. Ik kan het niet delen, of men zou mijn virus op de slok toe moeten nemen. Intussen doe ik nog wat acquisitie voor de herberg en praat een eenzame loopster naar binnen.

’s Avonds eten we gezamenlijk. Er ontspinnen zich gesprekken over de magie van de Camino, die doodlopen op een prekerige monoloog van een pelgrim die het caminolicht heeft gezien. Nadat de uitzending klaar is en de dominee vertrokken, kan de tafel weer ademhalen. Helene is duidelijk blij met dit gezelschap. Zij vertelt in het Spaans, gelardeerd met Engels, dat zij als kind wel eens een enkele pelgrim voorbij zag komen. Zij riep dan naar haar moeder: “Een pelgrim!” Haar moeder haalde elke pelgrim binnen om te eten en te drinken en bood hen zelfs een bed aan. Zo is zij ertoe gekomen om uit roeping deze herberg te beginnen. Zij zucht over de nieuwe generatie reizigers, die meer op comfort uit is dan op het ervaren van een echo van het pelgrimeren in vroegere tijden, laat staan spiritualiteit. Tot slot vraagt ze mij, of ik het originele konijnenverhaal nog eens wil vertellen. Niets liever dan dat. Een minikonijn is uiteraard haar loon. 

De wijn laat ik nu maar staan. Genoeg geslobberd.

Torres del Rio

Ik vergeet voor het slapengaan een portie paracetamol te nemen. Dat komt mij halverwege de nacht op een uur snotterende slapeloosheid te staan. Daarna gelukkig toch nog urenlang doorgeslapen. Uitgebreid ontbijten en praten met enkele andere gasten die ook niet zo vroeg zijn. Helene vertelt, dat zij een relatie heeft gekregen met een Hollander, René. Hij kwam als pelgrim bij haar langs en ging niet meer weg. Hij nam een bar in het dorp over. Ik ga bij hem langs, maar hij is druk met de stroom wandelaars. Van praten komt het bijna niet. Hij was accountant en docent economie. Dit bevalt hem veel beter. Zo’n plotselinge wending in een leven, het is een typisch Camino-verhaal.

Ik ga pas om tien uur op weg. Het is opnieuw een heerlijke wandeling door een prachtige heuvelachtige omgeving met de mooiste stadjes, en goed te doen. Ik ben bepaald niet de enige wandelaar. Onderweg praat ik met iemand die zijn grootmoeder herdenkt. Hij werd door haar opgevoed, nadat zijn moeder hem had afgestaan. Moeder had het zo geregeld dat grootmoeder al begraven was op het moment dat hij helemaal vanuit Canada aankwam voor de begrafenis. Hij deed er kennelijk niet toe, reden voor hem met zijn moeder te breken en de Camino te lopen in herinnering van de enige die hem werkelijk liefhad. 

Na tweeën wordt het rustiger. De meeste ‘pelgrims’ zitten dan al aan het bier. Dat geldt ook voor Sophie, de boerin uit Frankrijk die nooit langer dan een week weg kan. Ik tref haar op een terras. Haar man had haar over de telefoon gezegd, dat een enorme stapel werk op haar lag te wachten. Ik snap niet dat zo’n man haar onder druk zet om naar huis te komen. 

In Torres del Rio duikt Beth weer op, zittend achter een glas bier. Zij vertelt onder tranen hoe moeilijk het haar valt dat haar man haar pelgrimage niet begrijpt en dat zij haar geluk op de Camino niet met hem kan delen. Ik luister, denk: wat een verschil met Ellen, die mijn geluk hier begrijpt en zonder aarzeling gunt. We spreken af, samen aan tafel te gaan. Het leek vandaag wel een ouderwets spreekuur, alleen nu compleet met knuffels en eetafspraken.

De albergue in Torres del Rio zit in een mooi antiek gebouw. Tien stapelbedden in een beperkte ruimte. Ook hier kan ik zonder reservering terecht. Mijn bovenbed blijft leeg. Kan ik mij, zonder mijn buren te wekken, net zo vaak omdraaien als ik wil. Het eten in een nabijgelegen restaurant wordt als paella aangeprezen en bestaat vooral uit kleffe rijst met kippenbotjes en veel rode wijn. Met vijftien caminovrienden aan een lange tafel juichen en applaudisseren we als het wordt opgediend. Zelfs de burgemeester schuift langs. 

Voor hen, die graag mijn medisch dossier willen zien: mijn linker knie is geheel hersteld, de verkoudheid ontaarde in een purulente tracheïtis met hoestbuien en rochels, waar zelfs de man van Sophie zich voor zou schamen en ik heb spierpijn aan de tocht over de Pyreneeën overgehouden. Drie maal daags een gram paracetamol en je hoort mij niet klagen. 

Achteraf gezien was het inconsequent en vooral onhandig om vooraf al een retourticket vast te leggen. Je weet tenslotte nooit wat er onderweg kan gebeuren. Doordat ik me niet goed voel, heb ik minder gelopen dan ik had verwacht. Dat betekent dat ik mijn dagafstand moet opvoeren van zevenentwintig naar dertig kilometer om mijn terugvlucht te halen. De andere mogelijkheden zijn ‘vals spelen’ met het openbaar vervoer of een nieuw ticket kopen. Geen van die opties voelt goed.

Ventosa

Een vroege vogel laat om zes uur zijn wekker aflopen. Ik onderdruk een neiging om luidkeels te roepen: “Geen wekkers op een slaapzaal!” Zodoende sta ik met een kop koffie en een broodje gebakken ei achter de kiezen al om zeven uur op straat. Vandaag moeten de door mijn verkoudheid gemiste kilometers maar eens aangepakt worden. Daartoe heb ik een albergue op het oog, die veertig kilometer verderop ligt en iets naast de route. Er is vast nog wel plek als ik daar om vier uur aankom. 

De beschrijving van het landschap wordt eentonig, zie gisteren, ofschoon ik er nog steeds geen genoeg van krijg. En ook de dorpen en stadjes vervelen niet met hun smalle straatjes, weelderig gebeeldhouwde kerken en romantische pleintjes met terrassen. Logroño idem, maar dan in het groot. Een gier op een paal blijft rustig zitten als ik voorbij kom. Bijna rijpe druiven. Een Italiaanse actrice in spe van vijfentwintig jaar wordt overdonderd door een oude Spanjaard, die haar plotseling een kus op haar wang geeft. Zij heeft geen grootouders meer. Ik adopteer haar als mijn kleinkind. Daar is ze blij mee, maar we raken elkaar alweer kwijt, voordat er ook maar iets over op papier staat. 

Veertig kilometer is veel, maar het lukt. Alleen stopt driehonderd meter voor het einddoel van vandaag een auto. De chauffeur raadt mij aan niet verder te lopen: “completo”. In Ventosa is nog wel plek krijg ik te horen en dat blijkt te kloppen. Het kost me nog eens drie kilometer extra. Had ik maar niet zo eigenwijs moeten zijn om van de route af te wijken. De herberg, waar ik nu terecht ben gekomen ligt er gewoon langs.

Ik eet samen met drie Zweden en een Italiaan. Keurige mensen en een wat zwijgzame combinatie. Ik gooi er wat verhalen in. Dat helpt een beetje. De serveerster doet alsof ze gek is, als ik duidelijk gebaar dat ze niet zo chic zuinig de wijn moet inschenken. Ga nog maar een tijdje naar school, denk ik, dan kan je leren eerst de borden op te ruimen en pas daarna met het toetje te komen, wil je echt chic doen. 

De albergue, ook dit wordt eentonig, is een mooi oud gebouw met talloze ruimtes en nog meer stapelbedden. Een bovenbed wordt aan mij wordt toegewezen. Het is omdat twee reserveringen niet op komen dagen, anders had ik met mijn komst de zaak completo gemaakt. 

De hospitalero waarschuwt mij, dat ik morgen vroeg moet vertrekken, om niet achter het net te vissen. Klets jij maar, denk ik. 

Om kwart over negen zijn mijn kamergenoten reeds in diepe rust. Dat wordt morgen vast weer vroeg opstaan en krijgt de hospitalero toch zijn zin.

Cirueña

Dat valt mee: pas na half zeven komt er wat beweging in de slaapzaal. Het inpakken gaat steeds efficiënter. Binnen vijfentwintig minuten sta ik buiten. De bar om de hoek zorgt voor een snelle hap met koffie.

Ik loop bijna de hele dag tussen de wijngaarden van Rioja en zelfs urenlang alleen. Onderweg knoop ik een praatje aan met Brenda, een gezette dame uit de VS. Zij ziet er oud uit en vermoeid. Ik waag het haar leeftijd te vragen. Misschien is zij ouder dan ik, dat zou fijn zijn: ik wil niet altijd de oudste zijn. Veertien jaar jonger. Later zie ik haar op een terras blij te zijn met onze hernieuwde ontmoeting en roept dat ze me nooit vergeten zal. Met zo’n kreet is de diagnose al gesteld. “Brenda vergeet me gerust” denk ik, maar zo’n snedige reactie komt altijd uren te laat. 

Op hetzelfde terras zit Shana. Ze heeft haar pluche beertje, Peggy Bear, aan de rugzak hangen. Hij lijkt op Bumo, mijn beer toen ik nog klein was en die op mysterieuze wijze uit mijn leven is verdwenen. Peggy vertelt, dat zij het beertje ooit aan haar grootmoeder gaf en het terugkreeg na haar overlijden. Nu gaat het overal mee. Ze laat hem allerlei avonturen beleven en maakt daar boekjes van. Brenda, Bumo ben ik nooit vergeten. 

Een foutje in mijn kaart zorgt ervoor dat ik vier kilometer omloop en daardoor een uur later bij een felblauw geverfde albergue aanklop waar, ondanks de sombere voorspellingen van de hospitalero van gisteren, zomaar weer een bed is voor mij, en nog wel een echt bed, geen stapel. De hospitalero regeert met straffe hand ten koste van de nodige warmte, wat voor mijn gevoel met mate wordt gecompenseerd door een zeer voedzaam maal dat, ondanks dat het werd ingeluid met een gebed van drie seconden en geserveerd in houten nappen, in mijn darmen voor de nodige onrust zorgt. Hij zit er geeuwend bij en is kennelijk doodop na een seizoen van zes tot tien elke dag met telkens weer andere gasten. In de gang liggen de bagagelabels voor ‘toeregrinos’ klaar. Dat is duidelijk niet zijn favoriete publiek. Zijn albergue staat te koop.

Na de maaltijd hoor ik verhalen over allerlei moeilijkheden als je geen bed reserveert. Ik kan er niet over meepraten. Iemand suggereert, dat mijn optimisme en energie ervoor zorgen, dat er altijd een bed voor mij is. Zou goed kunnen. Mijn Italiaanse kamergenoot is ondanks zijn nationaliteit een rustig mens. Hij vraagt beleefd of het mij schikt, de wekker om half zeven te laten aflopen. Ik vind het best.

Tosantos

Na het wakker worden wordt weinig gesproken. Wanneer ik het pand uitloop begint het te schemeren. De weg is prachtig en loopt rechttoe rechtaan over heuvels. De druiventeelt heeft plaats gemaakt voor gemaaide korenvelden en velden met uitgebloeide zonnebloemen, die de zon niet meer volgen. De vreugde van het vroege uur echter is van korte duur: de rest van de dag loopt de route langs een drukke doorgaande weg. Opnieuw de mooiste steden en kerken, dat wel. De kathedraal van Santo Domingo de la Calzada heeft een toren van Brussels kant. Een kleinere kerk heeft een indrukwekkend altaar, zo mooi dat ik voor twintig cent een kaarsje aansteek, ook al is die elektrisch. Onderweg praat ik niet veel. 

Ik koers aan op een donativo albergue, Casa Paroquial Hospital de Peregrino, een oud gebouw, zowel van binnen als van buiten. Ik word vriendelijk ontvangen. Je kunt er niet reserveren. De hospitalero draagt mijn rugzak en stokken naar mijn kamer. De bedden zijn op, maar een matrasje op de grond is ook goed en ik heb toch weer een dak boven mijn hoofd zonder reservering. Ben je maar een millimeter op luxe gesteld, dan moet je hier niet zijn, maar wel is er ’s avonds een gezamenlijke maaltijd, bereid door enkele gasten en vooral van die sfeer houd ik. De baas houdt een toespraak. Het komt erop neer dat de Camino een weg naar binnen is, die je alleen doet en waarbij stilte essentieel is. Ik had het kunnen zeggen. 

Na de maaltijd gaan we naar een kapelletje op zolder, waar gezongen wordt en waar als voorbede briefjes met noodkreten van pelgrims worden voorgelezen.

San Juan de Ortega

Na negen uur slaap ga ik op weg, voor het eerst sinds dagen zonder paracetamol: die ging gisteren op. Op een paal staat dat het nog maar vijfhonderdvijftig kilometer is naar Santiago. Ik zie vorst aan de grond, maar het voelt minder koud dan gisteren. Separatisten krassen van ‘Castilla y León’ consequent ‘y León‘ op borden weg. Iemand heeft y León in ‘y corazón‘ veranderd. Ik kan er om lachen: vandalisme met een hart.

Op een lange helling komt de man met de hamer. Had ik maar paracetamol! Ik zwoeg mij snotterend omhoog. Een dame uit Zuid Korea wil met mij op de foto. Dat is voorlopig het hoogtepunt van deze dag. Verderop komt het dieptepunt, als ik keihard val. Ik zit een half uur bij te komen en merk de nodige kneuzingen aan knie en ribben en voel me totaal leeggelopen. 

In het volgende dorp, twee kilometer verderop, is een restaurant, waar ik een goed bord eten krijg, maar mijn energie komt er niet mee terug. De naastgelegen albergue, gevestigd in een voormalig klooster met een prachtige oude binnenplaats, heeft volop plaats. Dan maar geen dertig vandaag. Voor mij checkt een Amerikaanse vrouw in, ofschoon haar bagage naar een andere herberg was getransporteerd. De vrouw van de beheerder rijdt haar er heen. Een Canadese verpleegkundige geeft mij paracetamol. In mijn onderbed val ik als een blok in slaap voor een paar uur. Als ik wakker word zie ik twee tortelduifjes, gezellig naast elkaar op een bovenbed. Ze hebben het stevig te pakken. De Camino ‘provides’ op alle mogelijke manieren….

Het gehucht waar ik verblijf is niet veel meer dan een voormalig kloostercomplex, in het verleden vooral bestemd voor zieke pelgrims. Hier ben ik vandaag helemaal op mijn plaats met snot en kneuzingen.

Tardajos

De dag begint goed met Michael uit Texas, die zich verbaast over de oppervlakkigheid van de meeste caminolopers. Mensen die het verschil tussen een hike en een Camino niet kennen. Hij hoopt op goddelijke inspiratie en hangt een rood plastic kruisje aan mijn rugzak. Ik geef deze zielsverwant natuurlijk een minikonijn, met bijbehorend verhaal. Tekens verwisselen van eigenaar. Vervolgens praat ik kort met twee gelukkige Argentijnen en later nog met een Amerikaanse in een bar. Allemaal pelgrims. 

Burgos doorkruisen betekent door elf kilometer grote stad met industrie en één kilometer mooie oude stad lopen. Mijn albergue komt pas zes kilometer na Burgos. Dat maakt de wandeling veertig kilometer lang, maar ik kan het weer. In Tardajos negeer ik grote albergues, die met enorme borden reclame maken en kies voor de gemeentelijke herberg. De ontvangst door hospitalera Teresa is warm en persoonlijk. Er kan niet worden gereserveerd. Meerdere bedden blijven leeg.

Later herken ik in een restaurant een paar gezichten, in het bijzonder Yo. We zijn blij elkaar terug te zien. Zij raakt helemaal van de kaart wanneer iemand een appelflauwte krijgt. Ik stel haar gerust. 

De dag valt en mijn ogen vallen dicht van de slaap.

Hontanas

Landelijke dorpen met vrome muurschilderingen en teksten en een heuvellandschap schuiven voorbij, hier en daar een roofvogel, gevolgd door steeds vlakker land met geschoren graanvelden onder een vriendelijk zonlicht. Ik vraag me af of dit de Meseta is. Niet te heet. Ideaal om te lopen. Op z’n tijd een bar met koffie en eten. Yo is er ook weer en een Duitse mevrouw met slechts anderhalve kilo bepakking – dat kan blijkbaar ook. 

De soms idioot grote borden langs de weg lijken om graffiti te vragen, maar ook op muren, paaltjes en alles waar je maar een viltstift op kunt uitproberen worden leuzen gekalkt. De teksten zijn in het gunstigste geval moraliserende adviezen in de trant van “Wees jezelf”, maar meestal is de boodschap agressiever – niet passend bij een Camino.

Na twintig kilometer houd ik het voor gezien. Of het komt door de veertig van gisteren of door het rhinovirus dat mij nu al meer dan een week dwarszit, ik voel me de hele dag niet erg fit, dus twintig is genoeg. Ik loop de eerste de beste herberg binnen en krijg probleemloos een onderbed en, om het nog maar eens te benadrukken, zonder reservering. De meeste bedden blijven leeg. ’s Avonds zit ik met Eleanore en Judy uit de VS aan tafel. Zij komen telkens voor een week of twee naar Spanje, omdat dit land iets biedt wat thuis ontbreekt: een pad dat je draagt.

Itero del Castillo

Het is mistig en fris ’s morgens vroeg. Een zacht glooiend land, een smal pad zacht verlicht door de volle maan. Langzaam neemt de zon de verlichting over. De meeste wandelaars lopen twee aan twee. Ik passeer een ruïne van een kerk, waar nu asfalt dwars doorheen loopt, symbool van veranderde tijden. Verderop hetzelfde: een kerk, in een museum veranderd. Ook verruïneerd, al is het niet door asfalt. Toegang 1 euro. Ik heb het er niet voor over. 

Castrojeriz is een fraai stadje met veel horeca voor de verwende loper. Je kunt hier op stand slapen, maar ik loop door. Dan ontmoet ik Anne, een Française. We lopen een tijdje samen op, soms pratend, soms stil. We hebben een leuk gesprek, wat nu eens een keer niet over het gewicht van de rugzak gaat. Nadat we samen een lange helling hebben bedwongen blijven we staan om van het uitzicht te genieten. Anne besluit hier wat langer te blijven, terwijl ik mijn weg vervolg. Bij het afscheid geef ik haar een minikonijn mee – een herinnering aan deze camino-vriendschap van een uur. Even later opnieuw een spectaculair uitzicht over een eindeloze vlakte. Het pad daalt steil omlaag en slingert verder door het dal.

Impulsief stop ik na twintig kilometer bij een donativo-albergue in een voormalige kapel. Het ziet er interessant uit. Alleen in een bijgebouw is stroom en een douche. Helaas nemen drie dames veel ruimte in met continue gepraat. Het voorkomt een siësta. ’s Avonds is er een gezamenlijke pelgrimsmaaltijd, voorafgegaan door een rituele voetwassing. Eén voet per pelgrim, we gaan niet overdrijven. Het tempert de luidruchtige aanwezigheid van een groepje Italianen niet. De maaltijd, voor 95% pasta met een vleugje kaas, wordt pas om half acht geserveerd. Ik ben moe en wil slapen, maar een groepje Italianen blijft maar praten en zingen. Eindelijk om tien uur wordt het stil en kan ik gaan slapen.

Villalcázar de Sirga

Zachtjes klinkt gregoriaans gezang. Geen gepiep van wekkers, geen gerommel van haastig vertrekkende pelgrims. Wat heerlijk om zo wakker te worden. Het is al zeven uur, maar toch is het – eind september – nog donker. We ontbijten bij kaarslicht. Daarna ga ik vol energie op weg. In geen dagen voelde ik mij zo goed. Misschien is het virus op terugtocht. Het pad loopt door akkers met allerlei bevloeiingsinstallaties. Ze staan uit: het heeft vannacht veel geregend. Na tien kilometer vind ik een bar, waar het simpele ontbijt van de kapel wordt aangevuld met twee koppen koffie, cake en een groot stuk stokbrood met gebakken ei. Daar kan ik op lopen. Het land is vlak met een kaarsrecht kanaal naast het pad. Evenwijdig aan een rustige doorgaande weg gaat het pad maar door, kilometer na kilometer. Weinig opwindend, maar wel ideaal om lekker door te lopen. In een eenvoudig dorp koop ik wat mondvoorraad. Brood is er niet bij. De dorpen zijn te klein voor een bakker. Bakkers rijden hier toeterend rond in hun bestelauto’s, maar niet als ik in de buurt ben. 

Na dertig kilometer geef ik toe aan mijn rustvragende voeten en kies ik voor de herberg van de Orde van Malta, een seculiere religieuze orde van de katholieke kerk met een ‘missie om kwetsbare mensen en zieken te dienen’. Ik pas perfect in de doelgroep: zere ribben, vooral bij het hoesten. Ik ben er welkom, ook al zou ik niets mankeren. De hospitalero staat erop mijn rugzak naar boven te dragen. Voor een tientje krijg ik een onderbed met wegwerplakens en met een euro extra tien minuten warme douche. Langzaam loopt de herberg helemaal vol, zeker nadat enkele vrolijke Italianen zich tegen zevenen melden. Villalcázar de Sirga ziet er eenvoudig uit. De huizen zijn meestal van leem maar de voor dit kleine dorp idioot grote kerk is uit natuursteen opgetrokken. Ik mag erin voor het gereduceerde peregrino-tarief van één euro. De mevrouw achter de balie controleert niet of ik een pelgrim ben. Ik zie er blijkbaar overtuigend als een pelgrim uit. Tegenover de kerk is een bar, waar ik plato combinado nr. 4 bestel. Een willekeurige McDonald's is gezelliger, maar daar krijg je een fractie voor hetzelfde geld.

Ledigos 

Vroegtijdig gewekt dankzij het gestommel van een paar figuren ga ik in het donker op weg in een maanverlicht landschap over een pad dat kilometers lang langs een doorgaande weg loopt. Er rijden weinig auto’s. Dat is wel zo rustig. Pas na een ontbijt in een tuttig hotel-restaurant en twaalf kilometer verder buigt het pad van de weg af en loop ik met een hele horde door een totaal vlak landschap. Dat moet wel de Meseta zijn. Wat lopen de meesten snel. Ze zijn gewoon niet bij te houden. Met Kees, de eerste Nederlander die mijn pad kruist, heb ik niet zo veel. Het gesprek valt stil. Politie te paard komt mij tegemoet. Wij groeten elkaar.

Na een lange wandeling strijken alle luidruchtige medelopers bij het eerste het beste dorp neer, voor mij een aanmoediging nog zeven kilometer door te lopen naar Ledigos. Hier heeft het hard geregend vannacht. Modder op de toegangsweg. Ik kies voor de meest luxe albergue en daar voor het meest luxe verblijf: een ‘familiekamer’ voor drie personen. Een kroonluchter en gouden spijlen aan het hoofdeind van de bedden met daarop handdoeken en een bonbon. Even geen stapelbed, even geen pelgrimsromantiek. Ik deel de kamer met een vrouw uit de VS, van oorsprong Filipina en een stille man, die ik in het duister niet herken. In de tuin klets ik met de Amerikaanse Jim en zijn vrouw onder het genot van rode wijn. Prettige mensen, ook al zeggen ze geen pelgrims te zijn. Zo zie je maar, dat hokjes en vakjes er niet toe doen. Alies, een gezellige idealist uit Utrecht, schuift aan. Aan tafel zit ik goed met Victoria, Sandy en Stefany. De zusters Victoria en Stefany uit Australië storten hun hart uit en belonen mijn luisterend oor met een gepaste knuffel. Ze reizen als toerist, maar ik vermoed dat zij straks als pelgrim thuiskomen.

En steeds weer dezelfde zachte les: wie de Camino loopt, wordt gedragen. Niet door reserveringen, maar door vertrouwen. De Camino houdt ergens een bed, een bord, een gesprek, een knuffel voor me vrij – precies op tijd.

El Burgo Ranero

Het was een heerlijk lange nacht: pas om kwart voor zeven sta ik op. Op de Camino is dat laat: om een uur of zes zijn de meeste albergues al in rep en roer. Een vlug ontbijt en een praatje met Jim en zijn vrouw en dan op weg voor de dertig van vandaag. Ik loop veertien kilometer over de N120, een stille provinciale weg. Het voetpad loopt ernaast, maar ik verkies de weg. Geef mij maar asfalt, dat loopt lekker snel en het vraagt weinig aandacht waar ik mijn voeten zet, waardoor ik makkelijker in standje meditatief kom. Een paar kilometer loopt het pad door de velden, maar dan komt opnieuw de keus: asfalt of grind. Ik weet het wel: asfalt. Helaas door een foutje in mijn kaart krijgt de toch al lange tocht een bonus van drie kilometer omweg. 

De eerste twee onderdakadressen zijn completo, maar de derde, een donativo, heeft nog zeven lege bedden. Er wordt niet gereserveerd, dus blijft er ruimte. Een hospitalera uit Canada, gepensioneerd arts, ontvangt met warmte. Het gonst er van de problemen door de grote drukte en volgeboekte herbergen. Binnen ontmoet ik Rob en Vivian. We delen mooie verhalen in het Nederlands. Rob komt vanuit Antwerpen gelopen. Vivian loopt vanuit Nederland omdat zij vorig jaar een ingeving kreeg om de Camino te gaan lopen. Ze wist nauwelijks wat dat was. Ze maken weinig reserveringen, maar nu twijfelen ze. Ze maken zich zorgen een slaapplek te vinden nu het hier steeds drukker wordt. Ik laat me niet opjutten. Morgen gewoon weer op weg. Vertrouwen is ook een weg.

León

Opnieuw loopt het pad langs een asfaltweg. Eerst nog rustig, bij León wordt het steeds drukker. Als ik een grote groep scholieren zie twijfel zelfs ik of er wel plek zal zijn in een albergue, maar lang sta ik mijzelf geen onzekerheden toe. Het komt gewoon goed. Af en toe luid pratende zenders. Een paar jongens met harde muziek. Oude bruggen overspannen snelstromende rivieren en bevloeiingskanalen. 

De entree van León is bepaald niet chic. Het pad wordt weggedrukt door een spaghetti aan snelwegen. Busjes van Jacotrans scheuren voorbij met koffers en rugzakken van luxelopers. Hoe drukker, hoe meer verwaarlozing; industrieën, autodealers, braakliggende terreinen. In de buitenwijken zijn meerdere albergues maar ik koers vastberaden op het centrum af. Op nog geen kilometer van de kathedraal vind ik een modern hostel achter een antieke gevel, ‘Palacio Real’, waar onder meer een keurige kamer voor vier personen vrij is. Twee bedden blijven leeg. Zie je wel: plek zat en nog wel in het Koninklijk Paleis, al is daar alleen maar een gevel van over. Mijn kamergenoot Henny, accountant, is een gezellige Nederlander. Wij drinken samen op een terras en hebben een leuk gesprek. Hij is geïnteresseerd in het boek dat ik wil schrijven en herkent wat ik zeg: vertrouwen is een sleutel, op de Camino én daarbuiten, waarmee het leven een stuk makkelijker wordt.

Hospital de Órbigo

Na twaalf kilometer stad op z’n slechtst volgt twintig kilometer pad langs een drukke doorgaande weg voordat de rust van het platteland terugkeert. Ondertussen een korte vriendschap met Carla uit Brazilië, ooit architect, nu kunstzinnig therapeut, en Val, ergens uit de VS. Ze vertelt gedetailleerd waar precies in Amerika zonder zich af te vragen of die specificatie voor mij ook maar enige zin heeft. Ze begon samen met een vriendin aan de Camino maar dat bleek geen succes. Nu loopt ze alleen. Dat bevalt haar beter. Nadat zij is uitgerateld mag ik haar bijscholen in het lopen op een Camino. 
Een lichte motregen af en toe heeft geen invloed op mijn humeur maar het vraagt veel van mijn wijsheid om me niet te verliezen in het geweld van graffiti, gekalkte leuzen en soortgelijke stompzinnigheden. Ik verbied mezelf er aandacht aan te geven.  

Vermoeid kom ik aan in Hospital de Órbigo. De albergue van de Maltezer Orde, gespecialiseerd in eenvoud, heeft een bed voor mij. De entree heeft een mooie oude met bloemen en planten versierde binnenplaats. Omdat ik geacht word oud te zijn, krijg ik een onderbed toegewezen. 

Na een korte rust het dorp in, op zoek naar eten. Op een bankje zitten bejaarde dorpelingen te praten. Wandelaars uit het Verre Oosten krijgen van vrijwilligers in de dorpskerk stempels in hun pelgrimspaspoorten. Ik ben tevreden met mijn stempel van de albergue. Het plaatselijk restaurant is niet slecht. Vooral de forelsoep is bijzonder, maar liefst ga ik nu zo snel mogelijk onder de wol, want ik voel me koud en moe. Hopelijk maken mijn zeven kamergenoten de nacht niet te kort.

El Ganso

Een hele rustige en lange nacht. Pas rond zeven uur komt er beweging in de slaapzaal. Nu snel op pad: eenendertig kilometer betekent minstens acht uur op weg. Ik kan kiezen voor de kortere versie langs de snelweg of de langere door de natuur. Dat laatste natuurlijk. Eindelijk ook weer hellingen, als opmaat naar het gebergte aan de horizon. Ik loop na een paar kilometer langs de albergue waar ik twee jaar geleden overnachtte en maak een praatje met de hospitalera, een leuk en lief mens. De zaken gaan goed, ondanks dat de helft van de bedden meestal leeg staat. Zij krijgt nu al reserveringen voor volgend jaar, vertelt zij. “Het moet niet gekker worden.”

Jean uit Taiwan, 64 jaar, vraagt naar mijn leeftijd. Ik zie bewondering en teleurstelling: zo oud en nog actief, maar nu is zij lang niet meer de oudste. Ik meet mij de rol van camino-nestor aan en geef haar ongevraagd advies om de helft van haar spullen weg te doen. Ze loopt met een grote rugzak te zeulen en bovendien heeft ze nog een rugzak aan de voorkant hangen, een borstzak zogezegd. Eerst de zooi in je zakken weg en daarna de zooi in je hoofd, of liefst alles tegelijkertijd. Ze is het niet van plan. Ze krijgt meer spieren van veel gewicht. Jaja. Later bij een donativo-openlucht-café wil ze met mij op de foto en vleit zij zich zodanig tegen mij aan, dat ik mij afvraag of zij die prent wel kan vertonen in Taiwan. Dan een gesprek van wel dertig seconden met Carl uit Engeland, net lang genoeg om mij te vertellen dat hij 45-50 kilometer per dag loopt “voor de sportieve prestatie” en zoef, daar gaat hij weer. Ten slotte Janneke uit Limburg, die snipverkouden is. Zij vraagt mij hoe lang het bij mij geduurd heeft. Ik vertel haar een flauw grapje wat ik ongeveer zestig jaar geleden op college hoorde: veertien dagen zonder en slechts twee weken met behandeling. Op het Plaza Mayor van de prachtige stad Astorga drinken we samen onze dagelijkse shot cafeïne. Verderop bij een albergue staat een bord met de tekst: ‘I know that you’re scared…. But you can handle this.’ 

In El Ganso denk ik de Albergue binnen te lopen, waar ik twee jaar geleden verbleef. De herbergier rekent vierentwintig euro af voor half pension en dan sjouwt hij ook nog mijn rugzak naar boven en gunt mij een vrijstaand bed. Niet erg dat San Tiago deze plek voor mij reserveerde, in plaats van die van de vorige keer. Veel bedden staan leeg. Waar zijn ze gebleven, de vele lopers die de Camino bevolken? In de loop van de middag appt Henny mij. Hij is El Ganso voorbij en zit vijf kilometer verderop. Hij heeft vast mijn advies opgevolgd om de dertig kilometer na León met het OV te doen. Wellicht zien we elkaar morgen, als ik naar Molinaseca loop. Voor vannacht is ruig weer op komst. Van mij mag het wel wat warmer worden. Ik heb de hele dag koude handen. Had ik maar handschoenen. Het avondeten bestaat uit een vol bord spaghetti, een bord met patat en kip, een kom paprijst en een karafje wijn. Ik heb meerdere keuzes, maar met dit menu denk ik de meeste voor het lopen zo broodnodige calorieën binnen te krijgen. Ik zei het eerder al: onbegrijpelijk wat je hier in Spanje krijgt voor een paar centen. Voor de prijs van logies met halfpension hier krijg je in Nederland hoogstens een voorgerecht, maar het blijft wennen hoe een drie-gangen diner hier wordt samengesteld.

Molinaseca

Ik slaap niet lekker. Een mutant van mijn eerdere verkoudheidsvirus haalt me leeg. Het regent dat het giet, maar ach, asfalt, een perfecte regenjas en nog iets over mijn schoenen, het is goed te doen. De romantische dorpen langs de Camino hebben koffie en cake en gaandeweg wordt het droger, maar niet bij het Cruz de Ferro, daar komt het met bakken uit de lucht. Gelukkig zijn daar schuilplaatsen en in één ervan ontmoet ik Bob uit de VS. Ik biecht op dat het ijzeren kruis me niet zoveel zegt. Hem zegt het kruis des te meer, want Jezus die ooit aan het kruis zijn bloed vergoot bleek er ook voor hem te zijn. Veertig jaar geleden werd hij, berooid en dakloos, op een ochtend wakker toen hij Jezus tegenkwam. Sindsdien ging het hem steeds beter: werk, woning, vrouw, kinderen. Bob krijgt mijn konijnenverhaal en zo zijn wij vrienden voor het leven gedurende dertig minuten. Hij durft alleen nog niet zijn reserveringen aan Onze Lieve Heer over te laten. 

De rest van de tocht is hard werken met weinig energie, een snotneus en een zwaar parcours, maar wel met de mooiste vergezichten. Laat in de middag kom ik aan in dezelfde herberg als twee jaar geleden. Er zijn nog bedden te over. Gewone bedden inclusief de mededeling, dat je op de bedden je blaren niet mag behandelen. Geen idee waarom. Meerdere mensen komen hier zonder reservering. Daar kan Bob nog iets van leren.

Villafranca del Bierzo

Ik blijf mij erover verbazen dat er mensen zijn die twee uur voordat de zon opkomt vertrekken. En die doen wel stil, maar zijn het niet. 

De route is de eerste zeventien kilometer weinig opwindend. Huizen, gebouwen, bedrijven en veel verkeer. Dan komt er rust. Regen, zon en wind. Warm en dan weer koud. Regenjas aan en uit. Daarna wijngaarden en soms toch weer een stuk langs een verkeersweg. Onderweg spreek ik met niemand. 

Van een albergue zie ik onderweg een bord. Intuïtief weet ik, dat ik daar moet zijn. Het blijkt een prachtig stijlvol ingericht antiek pand te zijn in één van de smalle straatjes van deze mooie stad Villafranca del Bierzo. De ontvangst door de hospitalera is warm, zo ook de herberg waar houtkachels branden. De herberg is completo. Ik zeg dat ik hier graag verblijf en dat ze vast wel een oplossing heeft voor een oude man, die meer dan dertig kilometer heeft gelopen om juist hier te kunnen overnachten. Als ik dat wil, mag ik op zolder slapen. Ik vind het meer dan prima. Een hele zolder voor mij alleen. Of ik dat zeker weet? Ja mevrouw, ik weet het heel zeker. Mijn was wordt gedaan en ligt netjes opgevouwen klaar als ik terugkom van een uitstekende maaltijd. Iemand zegt, dat het steeds drukker wordt, nu het dichter bij Santiago is, en dat het verstandig is te reserveren. Ik wil niet verstandig zijn. Ik wil vertrouwen. San Tiago reserveert voor mij. Ik warm mij bij de open haard en ga tevreden naar mijn bed op de enorme oude zolder met dikke balken en stoffige antieke kasten.

Vega de Valcarce

Ik heb heerlijk geslapen op mijn privé-zolder, ver van de andere gasten, zodat niemand last had van mijn hoestbuien. Bij mijn vertrek zie ik niemand aan wie ik deze kostelijke overnachting kan betalen. Ik stuur een mail: de vriendelijke mensen van deze mooie albergue hebben het meer dan verdiend. Ik vertrek in de schemering en in de kou, maar met warme handen dankzij handschoenen die ik gisteren in een Chinese rommelwinkel vond. The Chinese shop provides….

Het pad slingert door een kloof langs een enthousiast ruisende rivier. Aan weerszijden rijzen bergen op in de nevel. Een snelweg snijdt er met haar tunnels en viaducten imposant doorheen. De dorpen onderweg zijn wonderschoon: vervallen huizen met hun eigen melancholie, romantische gevels vol verhalen, statige Spaanse huizen. Net als gisteren heb ik nauwelijks contact met anderen. De meesten lopen in gezelschap en hebben genoeg aan elkaar. Bovendien is mijn fysieke conditie beperkt. Vijfentwintig kilometer kan ik nog wel aan, maar veel meer ook niet. Gesprekken kosten energie die ik moet bewaren voor het lopen. Een apotheek verkoopt mij geen codeïne. In Spanje alleen op recept. Ik moet het noodgedwongen met een klimop-extract doen. Een grijsaard met een fraaie panamahoed maakt kleine camino-snuisterijen. Ik kan er niet zomaar langs lopen zonder een armband met een schelpje te kopen. 

De route is bezaaid met albergues, hostels, hotels, B&B’s. Eén keer zag ik zelfs een ‘boutique-hostel’. Van pelgrim tot luxeloper, voor elk wat wils. Bij een motel langs de route spuien bussen nette mensen die ook op weg zijn. 

Rond tweeën ben ik bij mijn albergue, die gerund wordt door een Duitse kerk, gelegen op een rustige plek, omringd door bomen. Hier hoor ik non-stop Frans, Italiaans en Duits. De gasten slepen veel spullen mee. Oude grijze mannen bestuderen uitvoerig routeboekjes en afstanden, maken berekeningen en aantekeningen en praten daar graag over. De douche is warm en, uitzonderlijk, zonder gebreken. De zon schijnt en het kwik loopt aangenaam op. Een blik witte bonen met worst is samen met een stuk stokbrood mijn avondmaal. Zorgzame medereizigers zeggen dat in de keuken een magnetron staat, maar ik vind koude bonen net zo goed. Ik voel me te moe om te koken of voor een warme maaltijd het dorp in te gaan. De kapel van de albergue staat open en is stil. Je kunt er echte kaarsen aansteken. Die kans laat ik niet voorbijgaan. Door een smal raampje valt een straal zonlicht precies op een crucifix. 

Deze albergue is niet te reserveren. Daarom zijn er geen Amerikanen, Australiërs en andere exoten. Uiterst zelden, hoogstens eens per jaar, zo verneem ik, zijn de ruim vijftig plekken completo. Om zeven uur komen nog een paar mensen binnendruppelen. Toch blijft mijn bovenbed leeg. Kan ik ongestoord gaan slapen met paracetamol en klimop.

Tricastela

Ik slaap onrustig door enorme hoestbuien, waar de andere gasten nog jaren over zullen praten, vrees ik. Ik zweet en hoor verontrustende geluiden in mijn borstkas, stel met pelgrimeren onverenigbare diagnoses en zie mijn Camino al voortijdig eindigen. In deze contreien is slechts één remedie beschikbaar: opstaan en lopen. Humeurig voldoe ik aan deze disciplinaire maatregel en start met een adequate dosis klimop en paracetamol. De ochtend gloort en het wonderschone berglandschap doet intensieve pogingen mij op te vrolijken. De route gaat hoger en hoger. Een wind steekt op en de temperatuur zakt. Zweten en rillen. Jas aan, jas uit en weer aan. In het toeristendorp O Cebreiro met alleen maar albergues, barretjes en souvenirwinkels vind ik in een kachelwarm onderkomen hete chocolademelk en sinaasappelsap. Na nog eens koffie, sinaasappelsap en cake en een portie paracetamol gaat het in de middag een stuk beter met mij en krijg ik babbels met een paar uit Canada, Janneke die ik een paar dagen geleden ontmoette en een stel camino-geliefden, Gloria en Honza, een innemend koppel dat ik vaker ben tegengekomen. Er zijn verder niet veel lopers om mij heen, waardoor de stilte van dit gebied des te sterker naar voren komt. 

In Tricastela is een moderne gemeentelijke herberg, netjes maar geen enkele vorm van warmte. Dat vind ik verderop wel in een oud pand met een design interieur. Grove stenen muren, oude balken en een hospitalero die zijn vak verstaat en die duidelijk heeft geïnvesteerd om er iets moois van te maken. Dat mag gezegd worden, want veel albergues blinken uit in goedkope karigheid, zoals douches waar bijna altijd wel iets aan mankeert en gammele bedden zonder stopcontacten om je telefoon op te laden. 

Ik eet op straat en verbaas mij opnieuw wat je hier voor een paar euro voorgeschoteld krijgt. Ik heb uitzicht op andere tafels. Drie grijs bebaarde heren in korte broek hebben moeite de conversatie op gang te houden en zoeken toevlucht tot hun telefoons. Aan een andere tafel houdt een zender de boel bezig. Zij troosten mij onbedoeld bij mijn eigen solo-maal: liever eet ik samen met een prachtige avondlucht dan met ongemakkelijk gezelschap.

Sarria

Mijn lijfarts berispt mij dat ik nog geen antibiotica heb geregeld, maar het is hier geen grote stad, waar je een huisarts dag en nacht achter de hand hebt. Hoe dan ook, 's ochtends om acht uur zit ik in een Centro de Saúde, waar het verplegend personeel vriendelijk reageert en moeite doet om zich verstaanbaar te maken. Zo niet mevrouw de dokter. Geschatte leeftijd 55 jaar en kortaf, bij het onbehoorlijke af. Zij spreekt slechts Spaans. Ik val bijna van m’n stoel van verbazing. Hoe heeft zij ooit geneeskunde gestudeerd? De in mijn ogen exotische behandeling wordt voortvarend ingezet meteen masker waarlangs ik Ventolin en Pulmicort inadem en een shot corticosteroïden intramusculair als toegift. De dokter zegt pas na deze behandeling de felbegeerde antibiotica te zullen geven. Dus om het te krijgen onderwerp ik mij lijdzaam aan haar regime. Uiteindelijk krijg ik mijn zin en veel meer dan dat: vier recepten, waarvan ik alleen de antibiotica bij een apotheek ophaal. Daarna kom ik met een desayuno bij op een terras. Tegen de tijd dat ik mijn ontbijt op heb blijkt de enige bus naar Sarria van vandaag te zijn vertrokken. Ik weiger om als een eersteklas toerist een taxi te nemen, dus ga ik rustig wandelend op weg, waarbij de spuit en paracetamol als pep werkt. Het wordt één van de mooiste wandelingen tot nu toe: een lieflijk landschap van bossen, weides, ruisende beken, door bomen overhuifde paden, naar koeienstront geurende dorpjes van leistenen huizen en boerderijen, stenen muurtjes met varens. Ik word er stil en blij van. Vandaag veel mensen die alleen lopen. Daar is gemakkelijk contact mee te krijgen. Bij een donativo-terras pauzeer ik uitgebreid en sluit vriendschap van een uur met Angela. Zij is intelligent, mooi en pelgrim in hart en ziel. Wij vertellen elkaar verhalen alsof we elkaar al jaren kennen. 

Ten slotte arriveer ik in Sarria, voor velen het beginpunt van hun Camino, want vanaf hier begint de minimaal vereiste loopafstand naar Santiago om recht te hebben op een compostela zonder een kilometer te veel te lopen. Vanaf hier wordt het daardoor nog drukker en dus hoor je telkens dat je beslist moet reserveren om zeker te zijn van een slaapplaats. In mijn geval is dat niet nodig. Ik kom Yo na dagen weer eens tegen. Het is een hartelijk weerzien en zij brengt mij linea recta naar haar albergue, waar nog voldoende vrije plaatsen over zijn. Wij gaan samen wat eten en drinken en allengs sluit een handvol caminovrienden aan, evenals een snuiter die het patent heeft op de etiquette-regels van de Camino en die opdreunt, daarmee de uitgelaten stemming voor een ogenblik lamleggend. 

Uiteindelijk is het een ouderwets goede dag op de Camino geworden.

Portomarín

Eigenlijk zou ik rust moeten nemen, zoals mijn lijfarts me heeft opgedragen, maar dat kan niet. Ik wil verder. Wel loop ik heel rustig en neem geregeld lange pauzes. Honderden lopers komen voorbij, velen op hun eerste caminodag. Vooral om het thuisfront gerust te stellen, vraag ik in een bar een taxi te bellen voor de laatste tien kilometer, maar die zijn veel te druk met luxe-lopers annex compostela-jagers. Dus neem ik nog een shot antibiotica en paracetamol en loop daar opgewekt mee door, onderwijl gezellig kletsend met Shana uit Australië. Zij kondigde haar man tien jaar geleden een scheiding aan, ging vervolgens met hem op vakantie, kwam er daarna nooit meer op terug, maar op de Camino mag hij niet mee. Dat zijn leuke verhalen. 

Het gaat een beetje regenen. De menigte pakt haar splinternieuwe poncho uit en verandert in een stoet kleurige kobolds met gebochelde ruggen. De route is mooi, weliswaar minder fraai dan gisteren, maar dat weten de eerste-dag-pelgrims gelukkig niet. 

In Portomarín is het raak bij het eerste het beste hostel, een moderne variant van de albergue. Ik slaap een paar uur en ga daarna de stad in. Deze stad is in een stuwmeer verdwenen en later op een berg herbouwd. Een burcht van een kerk werd steen voor steen afgebroken en hier weer in elkaar gezet. Er zijn lange zuilengalerijen gemaakt. Het maakt een kunstmatige indruk. Het lijkt erop, dat de ziel van de stad in het stuwmeer is achtergebleven. 

Ik eet samen met Rien en Martha, broer en zus, en Luna die uit Korea komt, allemaal vriendelijke intellectuelen. Ik maak aanstalten om Martha over de Camino Teresiano te vertellen. Het triggert bij haar een college over de heilige Teresa van Ávila en haar tijdgenoten, waardoor zij mijn verhalen over de Camino en een wit konijn misloopt. 

Ik kan mijn pizza niet op, pak het in maar vergeet het mee te nemen. Het is duidelijk bedtijd.

Palas de Rei

Als het regent is het geen goed idee om in het donker te gaan lopen als je alleen een telefoon hebt om bij te lichten. Om mijn toestel droog te houden moet ik bijna een uur lang achter pelgrims met hoofdlampen aan lopen. Die gaan me veel te snel. Na bijna tien kilometer stop ik bij een bar, die uitpuilt van de eerste golf lopers uit Portomarín. Ik sta een kwartier in de rij voor een broodje kaas, koffie en sinaasappelsap, maar om nog drie kilometer door te lopen naar de volgende bar is geen optie: ik heb honger en dat loopt niet goed. Had ik gisteren dat stuk pizza maar niet laten liggen. 

De rest van de dag is snel beschreven: regen, regen en nog eens regen en zoveel drukte dat op sommige plekken politie het verkeer staat te regelen. 

Overnachten in de stad Palas wil ik niet. De stad is voor mij onaantrekkelijk, de albergues zien er groot en grof uit en ik wil extra kilometers maken om de laatste dag makkelijker te maken. Ik loop weer als een paard en ben niet te stoppen. De eerstvolgende herberg is completo, de volgende gesloten. Het deert mij niet. Dan zie ik vijf kilometer voorbij de stad een herberg waar ik twee jaar geleden overnacht heb. Het heeft karakter en is niet zo massaal. Er is plek, zelfs een kamer, en een gemeenschappelijke maaltijd. Het kan niet mooier. Goed dat de eerste twee adressen afvielen. Mijn kamer bevindt zich in een watermolen en is romantisch ingericht. Veel te mooi voor een pelgrim, maar wel heerlijk. Helaas valt de stroom uit, terwijl ik mijn natte kleren en sneakers in de was had willen doen én in de droger. Een Spaanse gast speelt gitaar en zingt. Een pelegrina zingt mee met een heldere tere stem. 

De gezamenlijke maaltijd is goed en overdadig. Naast mij zit Karin uit Engeland. Zij draagt met trots een T-shirt waarop verwijzingen naar Jezus staan. Zij loopt met hem weg. Het lukt me niet om een stukje met haar mee te lopen. Jezus zit ertussen. De stroom wordt niet hersteld.

Arzúa

Midden in de nacht floept het licht aan. Daar word ik wakker van en besluit meteen het verslag van gisteren af te maken, waarna ik verder slaap. 

Alle natte spullen zijn ’s ochtends nog steeds vochtig. Droge reservesokken en –inlegzooltjes komen nu goed van pas. Buiten is het nat van de motregen. In mijn poncho sluit ik mij aan bij de kobold-processie. Doordat de Camino Primitivo hier haar deelnemers op de Francés lost is het nu zo druk, dat hier en daar de politie toezicht houdt en zelfs ik bijna ga twijfelen of niet alles completo zal zijn.

Bij een oude stenen brug staat een prachtig gerestaureerde albergue. Impulsief stap ik binnen en wordt vriendelijk ontvangen door twee oudere Amerikaanse hospitalera’s. Mijn kleding gaat in de was en de droger. Er heerst een weldadige rust. Maar niet voor lang. Een luidruchtige groep strijkt neer, hun gebrek aan subtiliteit met decibels compenserend. Dit is mijn eindexamen als pelgrim. Als ik hier rustig bij kan blijven, ben ik verzekerd van mijn diploma in Santiago. Het wordt nog spannend, dus.

Sabugueira

Ik ben rustig gebleven en ook de luidruchtige heren hielden zich in. Lang en goed geslapen ondanks de onrust in mijn buik als gevolg van het eten van pulpo, hier aangeprezen als hét summum van de lokale keuken. Voor mij nooit meer, dat kan ik je wel vertellen. Te zout, te taai, te zwaar op de maag. Wakker geworden met een energie die ik in geen tijden heb gehad, mede dankzij de voor het eerst afwezige hoestaanvallen. 

De stoet lopers is in alle vroegte uitgerust met knipperende lampjes op hun rugzakken om te voorkomen dat ze worden aangereden en met hoofdlampen om hun pad te verlichten. Ik herinner mij, dat mijn vader voor het eten bad: “Gij zijt een lamp voor onze voet en een licht op ons pad”, maar ‘Gij’ is niet meer nodig. Wij hebben led. 

Voor de luidruchtige heren van gisteravond staat onderweg een stenen picknicktafel klaar, met een compleet buffet inclusief een grote ham in een metalen houder. The Camino provides? Wij hebben een touroperator. 

Gezellige gesprekjes, in het bijzonder met drie dames uit de VS, die ik op een terras mijn curriculum vitae van de Camino uit de doeken doe. Als dank voor hun oprechte belangstelling trakteer ik hen op het authentieke konijnenverhaal en een wit minikonijn. Zij zijn er verguld mee en staan erop mijn drankje te betalen. Op een ander terras kom ik twee Nederlandse heren tegen, ook gezellig. Een Israëlische jongeman, Jacob, loopt een eindje met mij op, maar daar moet ik helaas een punt achter zetten want zijn Engels is niet te volgen. Dat vraagt te veel van mijn aandacht. Maaike, onderweg met twee vriendinnen gaat naar dezelfde albergue als ik maar dan gereserveerd.

Uiteindelijk komen we allemaal in Sabugueira terecht, in dezelfde kamer van een aantrekkelijke herberg. Ik krijg een normaal bed, want ik ben nog steeds een oude man en die leg je niet in een stapelbed. Ik ben graag oud als het me uitkomt. In dezelfde kamer verschijnt ook nog een Fransman, Jean François. Die leeft zo ongeveer op de Camino. Hij gaat gebukt onder een enorme rugzak, waar hij een mini-paletje met verf uit haalt. Hij aquarelleert een landschapje met een pelgrim als ‘stempel’ in mijn credencial.

Ik ga langs de supermercado aan de overkant van de straat en haal daar mijn avondeten en een fles wijn. Ik deel glazen wijn uit aan gasten die in de tuin zitten. De meesten drinken bescheiden. Zo komt die fles niet leeg. Dan moet ik zelf nog maar een glaasje nemen, en nog één, per slot van rekening ben ik bijna aan het eind van mijn missie gekomen en dat mag wel gevierd worden. 

Een gitarist speelt en zingt mooie Spaanse liedjes, sommigen zingen mee en zo eindigt de dag vrolijk en in stijl.

Santiago de Compostela

Het weerbericht zegt regen en nog eens regen. Mijn regenjas kan het niet allemaal tegenhouden en toch loop ik opgewekt met drijfnatte schoenen en voeten richting Santiago. 

In Santiago aangekomen zie ik een bordje waar Seminario Menor op staat, een herberg die mij werd aangeraden door Jean François, de stempelschilder. Een groot klassiek pand dat deel uitmaakt van een enorm kloostercomplex aan de rand van het centrum van de stad. Er hangen overal borden met ‘completo’ en toch krijg ik zonder problemen een bed. Ik wacht met natte kleren in een grote zaal met lange tafels tot ik om twee uur mijn slaapzaal in mag. Er is zelfs een geldautomaat en een kleine supermarkt. 

Daarna door naar het compostela-kantoor. Daar constateert men dat van twee dagen de stempels ontbreken, maar na overleg met de chef krijg ik toch mijn compostela. Terecht, denk ik, maar dat zeg ik maar niet. 

Door naar de huiskamer van de Lage Landen. Het is er rustig en de sfeer is goed. Ik kan er mijn konijnenverhaal kwijt en laat een minikonijn achter. 

Hoog tijd om iets te gaan eten. Door de regen zijn de terrassen verlaten en binnen is het overal stampvol.  In een restaurantje vind ik nog net één plek aan de bar, naast twee Amerikaanse dames op leeftijd, Ann en Karin. Het wordt weer een goed gesprek en er moet, zoals dat vaker is gebeurd, een foto met mij worden gemaakt. Zij komen in aanmerking voor een minikonijn en ik voor een omhelzing ten afscheid. Ik weet niet wat dat is met mij, maar telkens kom ik in dit soort situaties terecht. Zelden mannen. Die gaan meer voor de prestatie. 

In hetzelfde etablissement maak ik een praatje met een drietal dames uit Texas. Vriendelijke mensen maar hartstochtelijke aanhangers van president Jokkebrok. Wegwezen. No rabbit

Nog een rondje door de stad en dan terug naar mijn albergue. Mijn bed staat in een soort ziekenhuiszaal uit de negentiende eeuw. Daar pas ik goed bij: het beest is nog niet helemaal uit m’n longen. Tegenover mijn bed blijven twee bedden leeg. Zelfs in Santiago is reserveren niet nodig.

Camino de la Esperanza: epiloog

Gelukkig is de mens die tevreden is met wat hem toekomt.

Marsilio Ficino

 

 

Ik liep de Camino Francés van Saint-Jean-Pied-de-Port naar Santiago de Compostela. Het witte konijn liep mee. Soms gaf ik er één weg aan een zielsverwant: een klein wit minikonijntje, symbool van een buitengewone reis. Achthonderd kilometer zwoegen, zweten en zweven over de meest belopen Camino in een maand van grote drukte. Nergens, maar dan ook nergens reserveerde ik een slaapplaats, immers ‘de Camino provides’, nietwaar? Sommigen drongen erop aan, in ieder geval in Saint-Jean-Pied-de-Port te reserveren en in Roncesvalles en Santiago. Of dat ik een luchtbed moest meenemen voor het geval ik in een brandweerkazerne op de grond zou moeten slapen. Maar overal vond ik een bed, zonder maar één kilometer te veel te hoeven lopen. Nooit was ik ongerust. Voor mij voelde het alsof San Tiago alles al voor mij had gereserveerd. 

“Je hebt geluk gehad” zeiden sommigen maar ik heb geen geluk gehad. Geluk is geen bezit. Je kunt een hond hebben of een diploma, een auto of desnoods een partner, maar geluk hebben kan niet. Gelukkig zijn is een beslissing.

Laat je niets wijsmaken: er is altijd een bed. Laat de controle los, loop in vrijheid en noem het de Magie van de Camino, noem het ’t Universum of – waarom niet – noem het een Wit Konijn en vertrouw erop dat ‘De Camino’ voor je zorgt. En dat werkt. In ieder geval bij mij. Niet alleen voor een bed op het juiste moment of een bord eten, maar ook voor verrassende momenten met andere pelgrims: echte vriendschappen voor vijf minuten of meer.

 

De regen is opgehouden. Ik ga naar de vroege pelgrimsmis in de kathedraal van Santiago. Aan het eind van de mis vult de kerk zich met de witte wierook van de botafumeiro, uitgelaten slingerend door de kerk. Ik daal af in de crypte, loop langs de zilveren schrijn met de relieken van de heilige Jacobus, omhels zijn buste en steek een kaarsje aan. Dat is de traditie. 

Een vrouw schiet mij aan. Een hartelijke begroeting. Ik herken haar niet meteen. Ze opent haar hand. Een wit minikonijn in de palm van haar hand.

Carrer del Miracle 

Carrer del Miracle

Straatnaambord in Valencia

 

 

De Carrer del Miracle, een stille weg van Valencia naar Santiago de Compostela gaat dwars door Spanje en Portugal van het zuidoosten naar het noordwesten over dertienhonderd kilometer. Tot aan Ávila heet het de Camino de Levante. Daarna gaat het tot Salamanca over de Camino Teresiano. Het laatste stuk naar Santiago is de Camino Torres, die deels samenvalt met de Camino Portugués. 

De eerste twaalfhonderd kilometer zie je weinig of geen wandelaars of pelgrims.

Het kan er heet zijn, maar ook heel koud. Let daarom goed op de weersvoorspellingen. Vooral de hitte kan gevaarlijk zijn. 

Deze Camino glijdt niet af naar een commerciële heksenketel. Nergens hangt een bordje ‘completo’. Je wordt hier vaak gastvrij ontvangen.

Op deze Camino komt de magie gemakkelijk tot uitdrukking. Daarom noem ik deze weg een ‘Carrer del Miracle’.

Santiago de Compostela

Ik voel de pijn in mijn beurs gelopen voeten niet. Ik voel de vermoeidheid niet. Ik voel mijn rugzak niet. Wat ik wél voel is opgewonden blijdschap. 

Ellen en ik banen ons een weg door de nauwe drukke straatjes van Santiago. Wij wringen ons langs slenterende toeristen, een bedelaar, een folderaar en passeren talrijke pelgrims: de één gebukt onder een grote rugzak, de ander met een klein dagzakje. Nog een paar stappen en we zijn bij de kathedraal aan het Plaza do Obradoiro. Daar eindigt onze pelgrimstocht. Energiek en tegelijkertijd bijna plechtig lopen we het plein op, ontroerd, verheugd en ook wel trots. Om ons heen het bekende tafereel van de vele pelgrims die zich in triomfantelijke houdingen voor de kathedraal laten fotograferen, de stokken hoog geheven. Luxelopers met dagzakjes, toerfietsers en andere toeristen, vaak in groepen samengebonden door een reisleider. Het witte toeristentreintje staat in een hoek van het plein voor hen klaar. Uit dezelfde hoek komt het monotone gejammer uit een doedelzak. Veel beweging en rumoer. Het staat ons geluk niet in de weg.

Het hotel echter dreigt ons geluk wel in de weg te staan. Een loeihete zolderkamer met alleen een dakraam boven ooghoogte. Geen airco. Ellen is woest. Zij bluft het hotel en Booking af, krijgt het voor mekaar, dat we de kamer kosteloos cancelen en reserveert een kamer in het Parador Hotel aan hetzelfde plein als de kathedraal. Drie keer zo duur, honderd keer beter. We genieten van de koelte, de luxe en het vriendelijke personeel. Wij hebben het verdiend, vinden wij: niet voor niets liepen wij vierhonderd kilometer over de Camino Portugués van Porto naar Muxía. 

 

Ik wil een echte Panama. Die koop ik bij mijn favoriete hoedenzaak, Sombrerería Iglesias, gelegen in de schilderachtige Rúa do Vilar bij het oude centrum van Santiago. Een kleine antieke winkel met in de etalage hoeden en petten om van te watertanden. Van vloer tot plafond staan langs de wanden stapels ronde bordeauxrode hoedendozen. Met veel geduld wordt de ene na de andere doos geopend. De eigenaar, Tino Fernández Iglesias, begrijpt precies wat ik wil ondanks onze gebrekkige communicatie. Mijn keus valt op een elegant exemplaar met een mooi gedeukte bovenkant, voorzien van een zwarte band en een brede rand die aan de voorkant licht omlaag buigt. Die zal mij de komende weken vergezellen en beschermen tegen een al te felle zon.

Valencia

‘s Morgens vroeg verlaat ik de vijf-sterrenwereld met een katoenen tasje van het Parador Hotel met daarin een desayuno, waar ik drie dagen op kan lopen. Met een omhelzing en een “Buen Camino” zwaait Ellen mij uit. Zij reist vandaag terug naar Rotterdam. Voor haar was vierhonderd kilometer genoeg. Voor mij begint het pas. De vele ‘rondjes Kralingseplas’ van tien kilometer en de Camino Portugués tot aan Muxía die wij samen liepen waren een mooie training voor de volgende Camino. Morgen begin ik aan een wandeling van dertienhonderd kilometer van Valencia naar Santiago over de Camino de Levante, de Camino Teresiano, de Camino Torres en tenslotte nog weer de Portugués. Met eelt op de voeten, getrainde benen en vol energie.

De trein vertrekt rond kwart voor acht van Santiago naar Valencia. De incheck is compleet met bagagescan. In Madrid heb ik een uur overstaptijd voor de aansluitende trein. Ergens onderweg blijft hij griezelig lang stilstaan, de overstap in het nauw brengend. De ventilatie valt uit. Daardoor ga ik mensen ruiken. De eerst zo vredige stilte maakt plaats voor onrustig gepraat, maar gelukkig rijden we na een minuut of vijftien weer door en keert de rust terug, ook in mijzelf. Lange tunnels en viaducten, waarvan ik één herken aan de vorm. Vorig jaar liep ik daar op de Vía de la Plata. Te voet was het pad niet zo recht als het spoor en heel steil. Twee uur later doemt de Meseta op: eindeloze vlaktes, kaal en uitgestrekt. Ik snap zelf niet dat ik daar straks wekenlang doorheen wil lopen. Maar het moet. Het pelgrimeren is een verslaving zeggen sommigen, maar ik zeg dat het een obsessie is. Voor mij tenminste. 

Tijdens de urenlange treinreis overpeins ik de route die ik vanaf morgen zal gaan lopen. In de afgelopen drie jaar liep ik van huis uit via de Camino Francés naar Santiago, ik liep de Norte, de Portugués, de Primitivo en de Plata. Zo veel mogelijk een ‘nieuwe’ Camino, want om twee keer dezelfde route te lopen trekt me niet. Wellicht onterecht, maar ik denk dat het herhalen van een route te gemakkelijk is en ten koste gaat van mijn onbevangenheid. Ik hou van het verrassende van het onbekende en onbekend zijn de routes in de komende weken zeker. Een site als Gronze, die talloze Camino’s beschrijft, krijgt de Levante maar niet van de grond en rept al helemaal niet over de Torres of de Teresiano. Ik lag er wel eens wakker van en zag dan midden-Spanje als een halve woestijn, waar bijna geen menselijk leven mogelijk is: droog, heet en desolaat. Een beetje spannend vind ik het nog steeds. Eerder heb ik dat niet gevoeld, zelfs niet toen ik in 2021 solo van Rotterdam naar Santiago zou gaan lopen, terwijl ik daarvoor zoiets nooit had gedaan. Wat is dat voor een rare gewoonte om doemscenario’s te verzinnen en daar dan last van te hebben. Waarom geen onverwoestbaar vertrouwen? Toch weet ik dat alle twijfels en spanningen van mij af zullen vallen zodra ik de eerste stappen op de Camino heb gezet. Met die geruststelling kijk ik weer lang door het raam naar het land dat met 295 kilometer per uur onder mij wegglijdt. 

Na zeven uur stap ik een zomers warm Valencia binnen. Vanaf morgen zo’n dertienhonderd kilometer terug naar Santiago, 130 rondjes Kralingse Plas, en ik ben terug bij af. Doe geen moeite om het te begrijpen….

Valencia is een mooie stad met mooie vrouwen, mooie winkels, mooie cafés, mooie terrassen, mooie gevels en mooie kerken. En ook met veel bedelaars en de smerige lucht van het riool, zoals dat hoort bij grote warme steden. Van de kathedraal is een museum gemaakt. Ik mag met drie euro korting vanwege mijn gevorderde leeftijd, voor zes naar binnen. Niet veel voor een museum, maar voor een kerk, ik weet het niet. Nee, dan de iglesia San Juan del Hospital, om de hoek van de Carrer del Miracle. Daar kan ik zó naar binnen voor de pelgrimsmis om mij te bezinnen op mijn wandeling. Een handvol oudere gelovigen en slechts twee andere pelgrims. Dat wordt lekker rustig lopen, morgen: hoogstens met z’n drieën. 

Vlak naast het Center Valencia Youth Hostel – kamers met 2, 4, 6, 8 en 16 plaatsen in stapelbedden – waar je voor een habbekrats tot landloper wordt bevorderd, staat een hotel waar je dat voor vijf keer zoveel euro’s nog even kunt uitstellen. Ik loop het hostel binnen, denk ik. Het ziet er opvallend goed uit voor een stapelbedden-pakhuis, tot de receptioniste de prijs noemt. Ik heb de pest in, want het is wel erg duur voor een stapelbed, maar vooruit en niet zeuren: ik krijg een eigen kamer met airco, een gewoon bed en een badkamer. 

Ik loop de stad in en zie dan pas, dat het youth hostel naast mijn hotel staat. Op de stoep staan jongelui te blowen. Vader Jacob heeft mij door de goede voordeur geloodst. Morgen begin ik wel aan het echte pelgrimsleven, aan mijn Carrer del Miracle.

Camino de Levante

Ik ben een bingewalker.

  

Algemesi

Vroeg in de morgen begin ik aan de Camino de Levante. Over de lange weg naar Algemesi kan ik kort zijn: 17 kilometer stad, 13 kilometer industrieterrein en 10 kilometer landbouw, voornamelijk citrus. Geen enkele pelgrim, zelfs niet op de fiets. Droge rivierbeddingen. Een leuk plein in Silla met een mooie kerk die open staat en een lekker terras met prima koffie. De weg is letterlijk zo oud als de weg naar Rome: Via Augusta, waar niet meer van over is dan nagemaakte zuilen, een soort mijlpalen, maar dan anders. 

Aan het eind van de dag bereik ik een foeilelijke stad met stinkende bedrijven en loodsen: Algemesi. De eerste Algemesiërs die ik zie zijn twee moslima’s en een sjacheraar die in een vuilcontainer graait. De oude binnenstad maakt het wel een beetje goed met leuke straatjes. Mijn, ik mag wel zeggen, uitstekende humeur en energie kwamen nauwelijks in het geding, zelfs niet door alle ronkende, stinkende fabrieken, maar voorlopig is veertig kilometer op één dag de limiet voor mijn voeten en benen. 

Daar zit ik dan om kwart voor vier op een bank in een parkje, aangestaard door een belangrijke bronzen mannenkop op een granieten sokkel. 29 graden, maar in de schaduw met wat wind is het prima uit te houden. Liever had ik nu op een pelgrimsbed gelegen om m’n voeten, benen en rug hun welverdiende rust te gunnen: vanaf zes uur vanochtend ben ik bezig geweest om hier te komen. Het museum annex de toeristen-informatie gaat pas om half zes open en niet om half vier, zoals in de routebeschrijving staat. Half zes! Zij hebben de sleutel van de gemeentelijke herberg. Ik kan hem ook via de politie krijgen. De dienstdoende agent spreekt Spaans, net als ik, alleen meer dan de twintig woorden die ik ken. Dat communiceert niet over de telefoon en in ieder geval snapt hij niet wat ik wil. Ik bedank hem voor de moeite met één van die twintig: ‘gracias’ en hij antwoordt met één van de overige negentien: ‘nada’. Daarom zit ik nu op dat bankje geduldig te zijn en naar de vogeltjes te luisteren, want om nog een paar kilometer naar de politie te lopen, dat kan ik mezelf en vooral mijn voeten niet aandoen. 

De herberg bevindt zich op de tweede verdieping van een oud gebouw. Ik word er naartoe gebracht door een medewerker van het museum. Zij spreekt een weinig Engels, maar genoeg om haar te begrijpen. Haar oudere collega spreekt vloeiend Spaans. Haar versta ik niet maar de hartelijkheid is er niet minder om. De slaapzaal kan zo in een museum. Aan het eind van een lange gang zijn douches en toiletten. Het ziet er verzorgd uit. Een perfecte plek voor de eerste nacht op deze Camino.

In de verte tekenen zich bergen af. Ik hoop vurig, dat de Camino er niet overheen gaat. Zo is het al zwaar genoeg.

Xátiva

De hele herberg had ik voor mijzelf. Een ongekende rust. Bij vertrek ziet de lucht er vreemd uit. Even later hoor ik gerommel: onweer, nergens voorspeld door de weer-apps. In Alzira, een aantrekkelijke moderne stad, ga ik uitgebreid koffiedrinken, maar het onweer komt niet op gang en dus besluit ik verder te gaan. Na een kilometer dringt tot mij door, dat mijn stokken ontbreken. Terug naar het café. Het kost tijd maar levert meer op dan de stokken: het onweer barst nog net los in de stad met een schuilplaats voor mij en niet in het open veld. Wit konijn! 

Nooit van mijn witte konijn gehoord? Het staat voor wonder. Op de Camino heb ik meer oog voor wonderen dan in het ‘gewone’ leven. Dan heet het meestal toeval. 

De tocht gaat langs mooie dorpen en steden, een beek met schildpadden, minder industrie en meer sinaasappelplantages dan gisteren en veel meer kilometers dan gedacht. Ik bereik de bergen maar hoef er niet over. Geen andere lopers. Die twee van Valencia? Nooit meer gezien. 

In Algemesi tref ik bij de VVV een heel behulpzame medewerker, die goed Engels spreekt en z’n best doet om een overnachting te regelen in de Casa Rural de Xátiva. Het is maar 10 minuten lopen. Halverwege komt de baas met één been in het gips balancerend op zijn scooter mij tegemoet om de weg te wijzen. Hij schreeuwt vriendelijk veel info in het Spaans, wat niet helpt om het beter te begrijpen, maar het belangrijkste snap ik des te beter: ik heb een eigen kamer, zelfs met airco en gemakkelijk gevonden. Ik ben blij.

Moixent

Ik word even na vijven wakker en begin meteen met het ochtendritueel: ontbijten, douchen, inpakken en vertrekken. De stad is nog stil, alleen de merels zingen hun lied. Na een uur gaat de weg omhoog naar een aardig dorp, waar een kat mij gezelschap komt houden, terwijl ik op een bank een broodje eet. De route wordt landelijker en gaat door een vallei met een kwijnend riviertje met schildpadden. Sinaasappelplantages maken plaats voor olijfgaarden. In de verte tegen een berg zie ik een stad, veroorzaakt door een kasteel daarboven. Elke stad in deze streek ligt onder een kasteel. Kennelijk is hier veel strijd geleverd en nog steeds hoor ik heftige disputen in de cafés en zie ik allerlei standpunten op muren gespoten, tot hakenkruisen aan toe die gelukkig meestal ook weer met verf zijn overgespoten. Ik wil het geen aandacht geven, laat staan een foto. Ook wil ik het geen oordeel geven, maar dat lukt niet, zoals ik er ook niet in slaag mijn afgrijzen over alle vuilnis langs de weg te neutraliseren. Maar er is ook licht als iemand mij voor het eerst een buen Camino wenst. Het is een energieke vrouw in een mooi stadje. Haar heb ik wel gefotografeerd. 

Er zijn hier opvallend veel onafgemaakte projecten. Vandaag vooral kilometers spoorlijn zonder rails met roestende hekken. Een spoorweg is vaak de kortste weg en vlak. Jammer dat het afgesloten is, het zou zo fijn zijn als ik het als Camino kon gebruiken.

Bij het politiebureau van Moixent krijg ik toegang tot mijn verblijf voor deze nacht. Een agent van politie schrijft mij in en brengt mij naar mijn albergue in hetzelfde gebouw. Het is omdat ik niet geboeid ben, maar gek voelt het wel. Weer ben ik de enige pelgrim met het voordeel dat ik uitgebreid kan douchen en wassen. Buiten het raam hangt een droogrek. Snel droogt mijn was in de zon, net voordat een bui met hagelstenen zo groot als hazelnoten het zou verprutsen. De absolute eenvoud van het onderkomen helpt mij om me niets te verbeelden. Het is niet schoon en zo gezellig als een arrestantenverblijf. Goed genoeg voor een pelgrim maar niet voor toeristen. Die moeten gewoon in een hotel tussen gestreken lakens. Hier staan stapelbedden met matrassen met een kunststof tijk, waar bedwantsen niet van houden en ik trouwens ook niet. Ik leg mijn fleecedeken eroverheen en ga in mijn kleren slapen. Dit is een pelgrimstocht, geen vakantie. Ik weet niet goed, hoe ik dit bestaan bij sommigen zou kunnen aanprijzen als het geluk van de pelgrim.

Almansa

Vandaag ga ik de bergen in om op de Meseta uit te komen. De berghellingen zijn tot horizontale terrassen omgebouwd. Vandaag maar een stukje van 17 kilometer. Daarom vertrek ik pas om acht uur. Om half twaalf ben ik al op mijn bestemming, La Font de la Figuera. Er is een markt. In een café neem ik twee koffie, een alcoholvrij biertje en m’n bidon wordt gevuld met koud water, alles voor maar vijf euro. Op de markt sla ik bananen in. Omdat het weer ideaal is – hoogstens 26 graden bij een harde bries – besluit ik om verder te lopen en bananen…daar loop ik lekker op. 

Op naar Almansa, nog eens 23 kilometer. Weidse landschappen met fraaie finca’s. Zo kom ik in La Mancha, van de ‘Man van’. Lange vlakke wegen. Geen ziel te bekennen. Ettelijke kilometers langs een snelweg. Tijd genoeg om plotseling nieuwe inzichten over een voorbije relatie te overpeinzen. De wind, die mij recht in het gezicht blaast overstemt het verkeerslawaai. Ik geniet volop van het landschap en het lopen en merk niet dat ik een blaar onder mijn linker voet krijg en dat de zon m’n kuiten verbrandt. Daar kom ik pas achter als ik in Almansa wil gaan douchen. Het warme water brandt op mijn kuiten. 

Ik verblijf in Albergue Esclavas de María, waar ik voor een luttel bedrag een gastenkamer van het klooster krijg. De dienstdoende vriendelijke zuster Maria draagt een witte outfit als van een mondhygiëniste. Ik moet aandringen om haar tien euro te laten accepteren: het tarief is slechts zeven. De vloer van de kamer is vochtig en de badkamer meer dan vies. Ik maak de boel min of meer droog en schoon met een handdoek. Ik snap niet, dat de propere zuster Maria dit liet gebeuren. 

Ook deze stad heeft weer een eigen kasteel, maar die is voor de toeristen. Ten overvloede: daar hoor ik niet bij. Ik eet in een café gebakken aardappeltjes en een broodje met gebakken eieren en ham. Ik krijg het niet op en neem de rest mee voor het ontbijt. 

‘s Nachts word ik wakker bij de ingeving dat de kamer waarschijnlijk via het afvoerputje is ondergelopen door een enorme hoosbui. Die bui had ik ook in Moixent. In gedachten rehabiliteer ik Maria. Zij vindt ‘s morgens een smerige handdoek. Ik hoop dat zij de komende nacht een ingeving krijgt dat ik niet zo’n viespeuk ben om een handdoek vuil te maken, maar juist een hele propere pelgrim.

Alpera

Zuster Maria had mij gezegd dat de voordeur, die om middernacht op slot gaat, om zes uur weer open zou gaan. Ik sta om vijf over zes buiten met koerende duiven om mij heen. In de planning zit een lange wandeling van wel veertig kilometer. 

Ik heb nieuwe trailrunners aan m’n voeten, exact hetzelfde model als de vorige, die tot op de draad versleten zijn, maar met een andere kleur. Tegenwoordig is geen kleur te gek als het om sportschoenen gaat. Zo loopt deze bejaarde pelgrim nu op lichtgevende citroengele. Ik kon niet zo gauw iets beters vinden. In de afgelopen jaren heb ik allerhande schoeisel geprobeerd, van hoge ‘bergschoenen’ tot simpele sneakers. Soms kreeg ik last van een pijnlijke knokkel bij mijn enkel, bij andere schoenen blaren. Nu ben ik uitgekomen op trailrunners. Niet fijn als het erg nat is, maar verder licht en soepel.

Ik heb te weinig eten en drinken bij me. Een pompstation is al vroeg open, goed voor slappe broodjes en een liter cola. Zo kom ik met wat ik nog in voorraad heb die veertig kilometer wel door.

Nu komt het echte werk: een pad door de natuur, omhoog, omlaag en weer omhoog. Onwaarschijnlijke vergezichten. Verkeersgeluiden ebben weg en het wordt stil. Alleen een enkel vogeltje en het knarsen van m’n schoenen in het grind. Soms maakt mijn rugzak een krakend geluid. Na twee uur dwing ik mijzelf een kwartier rust te nemen. Niet te lang, want het is minstens tien uur lopen vandaag. Ik passeer een hoge rotsformatie, die ik twee dagen geleden al in de verte zag. Een stuk langs een spoorlijn, een gehucht, een majestueuze boom in z’n eentje. En dan, precies op de helft, een bord dat wijst naar een hostel met een speciaal peregrino-tarief, maar wel op 3,6 kilometer afstand van de Camino. Verleidelijk, maar ik loop door. Na tweehonderd meter bedenk ik me en kijk ik in mijn telefoon wat het weer gaat doen. Ik zie waarschuwingen voor enorme buien met onweer en besluit verstandig te zijn. 

Het hostel in Alpera is een eenvoudig hotel. Op een ruim overdekt terras bestel ik een groot glas vers sinaasappelsap. Na een tijdje brengt de eigenaar me naar een kantoortje om me in te schrijven. De kamer, een naar groene zeep ruikende keurige tuttekamer met airco en een schilderij van een half-blote mevrouw op haar rug gezien, kost dertig euro. De baas zegt, dat ik dat straks in het restaurant, als ik daar toch wat ga eten, kan afrekenen. Mijn voeten juichen, een onderbroek gaat in de was en ik kan in alle rust mijn verslagen herschrijven, want die misten door tijdgebrek de nodige details. Er is ook tijd voor wat boodschappen. De oude schoenen gaan vandaag in de vuilnisbak. Scheelt zeshonderd gram. De veters bewaar ik. Je weet maar nooit waar ze goed voor zijn. 

Het was een goed besluit om niet verder te lopen. Onweer, daar houd ik niet van. Alleen, het noodweer gaat hoorbaar aan Alpera voorbij. Ook het menú del dia gaat aan mij voorbij. Om acht uur denk ik te gaan eten in het restaurant. Mooi niet: alles zit potdicht. Op de site van het hostel zie ik dat het reguliere tarief van de kamer dertig euro is. Niks speciaal peregrino-tarief. Ik besluit, dat de ‘s middags genoten zumo de naranja onder het speciale peregrino-tarief van nul euro valt. Het restaurant heb ik niet nodig: genoeg voorraad in mijn rugzak. Zo ben ik toch voordelig uit vandaag.

Higueruela

Ik slaap als een os. De wekker moet er een eind aan maken. Voor vertrek schuif ik dertig euro onder een rolluik van het hotelkantoortje door. 

Nog geen half uur onderweg word ik ingehaald door een wandelaar. Op zijn borst staat een lampje aan terwijl het al licht is. Hij draagt een shirt met lange mouwen met daar overheen een geel shirt van de wandelclub. Onder een korte broek steken een paar bleke kuiten uit. Op zijn rug een paar rode achterlichten, ook aan. Professionele wandelaar! Uit zijn telefoon komt Spaans gekwaak. Goddank heeft hij geen rugzak: geen concurrent bij de gemeentelijke herberg van Higueruela, waar slechts twee bedden zijn. Hij snelt voorbij en komt mij na twintig minuten weer tegemoet. De lampjes zijn nu uit, zijn kwaaktelefoon nog aan. 

Er komt regen. Een beetje, maar genoeg om gamaschen en regenjas aan te trekken, altijd een inspannend gedoe. De paraplu gaat open. Als de regen stopt kan ik gaan zitten op de betonnen rand van een duiker, er is niets beters, en eten. Daarna gaat het opnieuw regenen en nu niet een beetje. Een automobilist stopt en biedt mij een lift aan. Dat hoeft niet, want het is ideaal regenweer: geen wind, zestien graden. Zestien graden! Midden in Spanje, midden in de zomer! Ik blijf droog en loop niet te zweten in m’n poncho. Alleen, er is nergens een droge plek om te zitten en mezelf en mijn voeten wat rust te geven. Dat breekt mij op. Een Italiaan op een fiets op weg naar Santiago komt voorbij. In de regen fietsen lijkt me helemaal geen pretje, ofschoon hij wél kan zitten. 

Vermoeid kom ik op mijn bestemming aan. Misschien komt dat omdat ik nog niet gewend ben aan de hoogte hier van meer dan duizend meter. Ik krijg op het stadhuis te horen dat de sleutel van de albergue in een restaurant ligt. Eindelijk koffie. Het menú del dia is prima. De baas heeft ook kamers in de aanbieding voor een speciale peregrino kamerprijs van dertig euro, maar ik ga naar de herberg van de gemeente. De albergue is in het voormalige gemeentehuis aan een idyllisch pleintje. Het interieur concurreert in eenvoud met het arrestantenverblijf van twee dagen geleden, maar is ruim en heeft een prima badkamer. En gratis. Daar zet ik mijn trots voor opzij. Ik zou het mijn vrouw niet aandoen, maar voor mij is het goed genoeg. Als in het bed maar geen nare beestjes rondlopen, anders krijg ik spijt van mijn zuinigheid. 

Kinderen komen hetzelfde gebouw binnen voor muziekles. Ze slepen veel te grote bastuba’s de trap op. Eén van hen geeft een korte demonstratie, terwijl het geval nog op een karretje in de zak zit. Hij buigt zich in een kronkel om het getoeter te laten horen. Ik roep bravo. Even later klinkt het gebrom gezellig door het pand: een aubade voor de vermoeide pelgrim. 

Het dorp ligt op een heuvel. Bovenop is een kapel, gewijd aan de heilige Barbara. Zij is onder meer patrones voor bergbewoners vanwege het gevaar van blikseminslag. Ik loop erheen. In de verte hangt een onweersbui. Barbara waakt over Higueruela en laat de zon schijnen.

Chinchilla de Monte-Aragón

Ik val als een blok in slaap dwars door de aandoenlijk vals-harmonieuze klanken van het fanfareorkest dat boven mij repeteert. Bij het ontwaken kijken of er beestjes waren. Geen plekjes op m’n vel, geen nare beestjes, geen spijt. Ik ga er zo snel mogelijk vandoor want in de loop van de dag wordt slecht weer voorspeld. Bovendien, om twee uur gaat de VVV in Chinchilla dicht en het is wel 29 kilometer, minstens zeven uur onderweg. Ik krijg de voordeur niet op slot. Dan moet die maar open blijven. Bij de bar waar ik de sleutel kreeg is geen brievenbus te vinden en alle rolluiken zitten dicht. Ik leg de sleutel half onder een asbak op een bierton, die op de stoep voor de bar staat, samen met een kaartje van de bar. Ze zullen het wel vinden.

Wat is het weer een prachtige tocht. Ik blijf foto’s maken. Boomgaarden met vooral amandelbomen, graanvelden, braakliggende gronden. Een gehucht. Een kruis met een bord ‘1000 kilometer naar Santiago’. Door het spel van zon en schaduw door de wattenwolken zie ik het land in alle kleuren. Honderden konijnen schieten weg zodra ik dichterbij kom en drie grotere dieren – op gems lijkend – verdwijnen net zo snel. 

Was gisteren mijn energie beneden peil en mijn rugzak zwaar, vandaag loop ik weer als een malle. Maar goed ook, want ik ben nog maar net binnen bij de VVV of een onweersbui barst los. De vriendelijke en wat oudere medewerker brengt mij na de bui naar de albergue. Hij zet een stempel in mijn credencial, zó plechtig alsof hij mijn testament tekent. Het is een keurige ruimte met goed sanitair in een mooi oud gebouw, het stadhuis nota bene. In het register zie ik dat hier nauwelijks pelgrims komen, de laatste alweer een week geleden. 

Spoedig schijnt de zon weer. Ik eet iets en loop omhoog naar het kasteel van deze prachtige stad met zijn smalle steile kronkelstraatjes. Ik kan van daaruit tientallen kilometers ver kijken, ook in de richting, die ik de komende dagen ga: op het oog volkomen vlak land. Het maakt veel indruk op mij dat ik dat allemaal zal doorkruisen. Albacete, hemelsbreed op 14 kilometer, is goed te zien. Daar wil ik morgen naar toegaan. Rondom zijn donkere luchten. Als ik weer ‘thuis’ ben barst het onweer opnieuw los. Ik doe later wat inkopen bij kleine winkeltjes, eenmanszaakjes, waar ik vriendelijk word geholpen. Dat is fijn, want daar moet ik het mee doen: andere contacten heb ik hier niet.

La Roda

Ik was van plan om naar Albacete te lopen, slechts zeventien kilometer, maar nu zie ik, dat als ik er nog twintig bij doe, naar Gineta, ik de volgende dag geen veertig hoef te lopen, maar veel minder. Dat komt goed uit omdat het de komende dagen steeds warmer wordt. Hoe eerder binnen, hoe minder last van de warmte bij het lopen. Vandaag bestaat de route uit lange stille wegen langs boomgaarden, akkers met koren, uien, knoflook en drukke wegen door industrieterreinen met bijbehorende illegale vuilnisbelten. Eén keer steekt een lange dikke slang mijn pad over. Honderden konijnen nemen de wijk. 

Albacete is een grote stad met veel winkels en verkeer, niet lelijk, niet mooi, maar goed genoeg voor een lunch op een bank in een park. Na het eten verder voor de laatste twintig kilometer. Ik maak weinig foto’s van de stad. Alleen de arena die eruitziet als een reusachtige knalgele tiara trekt mijn aandacht. 

In Gineta zou in de gemeentelijke sportaccommodatie een soort albergue zijn ingericht, waar de pelgrim op judomatten kan slapen. Veel te hard en de enige reden, waarom ik een luchtbed van bijna een halve kilo meesleep. In een cultureel centrum annex kroeg weet ik duidelijk te maken dat ik daar wil overnachten. Dat geeft veel gedoe en getelefoneer. Uiteindelijk komt een man mij vertellen, dat de albergue is opgeheven en dat in heel Gineta geen hostel of hotel is. In La Roda, zeventien kilometer verderop, is de albergue wel open. Snel m’n 0% biertje opgedronken om de trein te kunnen halen. Vliegensvlug rijdt hij mij met zijn auto naar het station, waar al na vijf minuten de trein aankomt. Zo’n dienstregeling van een paar keer per dag. Wit konijn! De conductrice verkoopt een kaartje tegen contant geld. 

In La Roda stopt een politieauto naast me en de agent vraagt of ik een peregrino ben en op weg ben naar de albergue. Hij zet me in zijn auto en brengt me ernaartoe. Weer een wit konijn! Hij heeft zijn gordel niet om en gebaart mij, dat ik dat ook niet hoef te doen. Zo rijden wij piepend naar de albergue. Hij belt tig keer naar de hospitalera, maar die neemt niet op. De agent vertrekt en zegt mij te wachten op een bankje in de schaduw. Ik ben al lang blij, dat ik zit. Hij komt na twintig minuten weer terug en zegt nog steeds ermee bezig te zijn. Even later komt een allervriendelijkste mevrouw aangereden. Zij wenkt mij mee te komen. Ik beland in de arena van La Roda waar een albergue is ingericht, naar schatting 80 jaar geleden, maar dat doet er niet toe: ik slaap in de arena van La Roda, maar eerst terrein verkennen. Ik kijk van bovenaf in de hokken, waarin de stieren voor het gevecht stonden en ik loop over het veld, waar zij, of de torero, het loodje legden.

Dacht ik morgen een makkelijke dag te hebben door die zeventien gemiste kilometers alsnog te lopen, zegt Ellen, dat ik niet zo streng moet zijn voor mijzelf. Oké, maar dat betekent dan wel, dat ik morgen veel verder moet lopen, terwijl ik vandaag al zo veel gelopen heb. Het zal uiteindelijk wel goedkomen. Ik heb er alle vertrouwen in en daar gaat het om. Vertrouwen. Hier zijn niet alleen heel veel bruine konijnen maar ook witte op z’n tijd. 

Het luchtbed gaat definitief onderin de rugzak.

San Clemente

Om vijf uur word ik wakker en neem een douche anno 1935. Het lichtknopje zit vlak naast de kraan. Toch word ik tijdens het douchen niet geëlektrocuteerd. Het knopje is dan ook vakkundig afgeplakt met plasticfolie en ik zorg er voor, niet te veel te spetteren. Niet moeilijk, want de chique koperen douchekop is grotendeels verstopt met kalk. 

Ik koers richting Minaya, achttien kilometer verderop. Na de lange tocht van gisteren durf ik nog niet verder te plannen, maar als ik daar om half elf aankom is er niets wat mij tegenhoudt om naar San Clemente te lopen: Minaya is een saai dorp, de koffiehuizen zitten potdicht en het hostel is een soort motel op een bedrijventerrein. 

Eerst veel stedelijk rumoer en troep, daarna stiller, licht golvende paden en weidse uitzichten. Dit is de ‘Ruta de Don Quiote’. Mieren slepen met haver. Een boer spuit een boomgaard met slechts een mondkapje voor zijn gezicht. Een landarbeider maakt een praatje en vraagt om een sigaret. Gelukkig voor hem: ik rook niet. Stenen uit het land liggen verzameld op grote hopen. Het eerste dorp pronkt met een poort. Het tweede met niets. De kruidenier daar werkt zoals ik dat als kind nog heb meegemaakt. Ik vraag, zij overlegt met haar man en pakt. En dat allemaal op een paar vierkante meter. Een leven lang. Aandoenlijk. Ik lunch in de schaduw op een bankje onder een boom. 

San Clemente heeft een mooi oud centrum. Ik moet nog een uur wachten tot de VVV opengaat. Ik breng wat tijd door in de kerk. Na twintig minuten houd ik het voor gezien, loop de kerk uit en zie dan net hoe de VVV-mevrouw de deur opent. Wit konijn denk ik en loop achter haar aan. De intake duurt ongeveer een kwartier, maar dan krijg ik ook een compleet modern appartement. Een voorbijganger wijst mij spontaan de weg ernaartoe. Op de begane grond is plaats voor zes pelgrims, maar het is helemaal voor mij alleen met alles erop en eraan, er is zelfs een wasmachine en een droger. 

Vandaag bedenk ik waarom ik blijf lopen. Sommige mensen kijken op Netflix de ene serie na de andere om het verhaal te volgen, ik loop de ene etappe na de andere om te zien hoe het landschap onder m’n voeten uitrolt. En net als bij een serie: je weet nooit welke verrassing nu weer op het programma staat en zo blijf ik steeds maar nieuwsgierig verder lopen. Zelfs een bedrijventerrein stelt niet teleur. Gek hè. Ik ben een bingewalker.

Mota del Cuervo

Niet vroeg op weg voor de 24 kilometer van vandaag. Ik loop de straat uit en meteen ben ik weer in het paradijs: onafzienbare velden, geen verkeer, geen industrie, alleen maar de zoet geurende natuur. Een kasteelruïne. Er zijn hier weinig konijnen, maar wel veel roofvogels. Zou dat er mee te maken hebben? Ik krijg allemaal herinneringen aan mijn kindertijd. De simpele vakanties op Texel in een boerderij. De boer, ome Aris, schoot duiven, fazanten en konijnen. Mijn moeder braadde de konijnen op een oliestel. Niks oven met boven- en onderwarmte en braadprogramma’s. 

Een auto stopt. Ik raak aan de praat met de chauffeur. Hij heeft Camino’s gelopen en begon recent een albergue. We hebben een leuk contact en hij geeft zijn adres. 

De hospitalero van de beoogde albergue voor vandaag reageert niet op aanbellen, ook niet na pogingen van een contactpersoon. Intussen heb ik zo lang op een terras gezeten dat ik, uitgerust, om kwart voor vijf het wel aandurf de twintig kilometer naar het adres dat ik ‘s ochtends kreeg, te lopen. Lang verhaal kort: om half tien zit ik, schoongewassen met een gezellig Spaans stel, Ricardo en Cari, aan tafel voor een prima maaltijd. Met Google Translate hebben we een goed en persoonlijk gesprek. Zij komen in aanmerking voor een wit minikonijn.

La Villa de Don Fadrique

Het ontbijt bestaat uit diverse soorten cake en koffie. Ik overleg uitvoerig met Cari, waar ik de volgende nacht zal doorbrengen. Uiteindelijk lijkt er niets anders op te zitten dan naar El Toboso te gaan, een soort Don Quichot-Disneyland, slechts elf kilometer verderop. Ik loop naar buiten, nadat Cari mij een kus ten afscheid gaf en voel dat de race van gisteren mij niet heeft gesloopt, dus besluit ik naar La Villa de Don Fadrique te gaan, 34 kilometer verderop. Ik kies de makkelijkste, maar niet de meest fraaie route: langs de provinciale weg, dat scheelt vier kilometer en asfalt loopt het snelst. Een beetje saai, maar gezien mijn vertrek om half negen en de verwachte temperatuur van dertig graden wel zo verstandig. 

Een onbekend nummer belt mij. Ik krijg een Spaans sprekend iemand aan de lijn en begrijp er niets van. Later op een terras met een biertje zonder alcohol ontdek ik dat het een casa rural in La Villa de Don Fadrique is, ongetwijfeld door mijn Cari benaderd. Na wat whatsappjes krijg ik een gast, Antonio, aan de lijn. Na tien dagen alleen lopen ontmoet ik eindelijk een pelgrim. Hij spreekt Engels en zegt dat in zijn kamer nog een bed vrij is. Snel geregeld! De laatste zeven kilometers zijn weer helemaal top: landelijk, licht glooiend, het kan niet beter. 

De casa blijkt een huis met een weelderig interieur. De hospitalero, Juan, biedt een biertje aan en wil een selfie met mij. Hij overhandigt me een plastic Camino-handje. Deze handjes, ooit bedacht door José Sanchís – beter bekend als Mocho – worden niet gekocht of verkocht. Ze worden doorgegeven via een handdruk, symbool van de kameraadschap van de Camino. Ik hang het aan mijn rugzak. Vorig jaar kreeg ik er één van Lola. Wij ontmoetten elkaar een paar keer op de Camino en ofschoon wij niet meer dan een paar uur samen waren voel ik nog steeds een diepe band met haar. Zo kan dat op de Camino gaan: vrienden voor kort, lang of altijd. De kamer die ik deel met Antonio is antiek chic. Op de bedden liggen fluwelen dekens. Geen stapelbedden maar gastvrijheid in overvloed. Juan wast onze kleren en heeft handdoeken en flessen koud water klaargezet. 

Er zijn hier niet veel albergues of hostels. Sommige adressen zijn zelfs opgeheven. Antonio blijkt een ervaren wandelaar, vriendelijk en praktisch ingesteld. Hij heeft voor de komende dagen al veel heeft uitgezocht. Zo worden de overnachtingen moeiteloos voor mij geregeld, ondanks dat er niet zo veel zijn. Typisch Camino.

Tembleque

Juan zorgt voor een goed ontbijt, waarna opnieuw een fotosessie plaatsvindt. De foto’s van zijn gasten zet hij op zijn facebook-pagina. Juan biedt deze bejaarde aan om hem een eind op weg te helpen. Lief, maar ik sla het af. Oude mensen moet je laten lopen. Van zitten word je niet oud.

Antonio en ik lopen de eerste tien kilometer gelijk op. Wij zitten zogezegd letterlijk en figuurlijk op het zelfde spoor. Ofschoon Antonio zich graag verdiept in historie en feiten rond de Camino en ik veel meer bezig ben met het ervaren ervan, toch hebben wij overeenkomstige spirituele motieven om te lopen. We drinken koffie op een terras en gaan daarna afzonderlijk verder. Voor we scheiden geef ik hem een wit konijn mee. Hij neemt het met begrip en een handdruk aan. 

De verdere tocht verloopt zonder grote problemen. Door een kleine vergissing komt er twee kilometer extra bij. Langs de weg veel distels, soms wel drie meter hoog. Het groeit onder de meest barre omstandigheden. Het is warm, om niet te zeggen heet. Een straffe wind zorgt voor verkoeling en waait de panama van mijn hoofd. Van een veter van mijn afgedankte schoenen maak ik een andere kinband. Zo blijft hij beter zitten. Ik hoor alleen het tikken van m’n stokken, verder is het stil. Aan de horizon twee molens en een kerktoren. Die loop ik langzaam dichterbij.

Het hotel in Tembleque is groot, netjes en landelijk, met in mijn ogen weinig sfeer. Na een siësta de stad in om wat te eten. Tembleque is prachtig met een bijzonder plein, wat een oude vierkante arena blijkt te zijn. Een droge rivier is als park ingericht, maar kan desnoods ook een watervloed aan. Antonio kom ik weer tegen in een druk restaurant. Ik eet er een salade met pollo. We raken aan de praat met twee dames, Esther en Llano. Antonio licht mijn status als bejaarde konijnenpelgrim toe. Dat is het sein voor Esther om een lange filosofische verhandeling op mij af te vuren, waar Llano bedremmeld zwijgend bij zit. Het gaat over de inspiratie van het Hogere. Daar kan ik haar geen ongelijk in geven. Dan stuurt zij een jongeman op mij af die, niet gehinderd door enig besef van taalbarrières, mij wijsheden toevoegt, in tempo niet bij te houden door Google translate. Het lukt mij om de volgende woorden uit de translator te redden: ‘zaaien bij elke stap die u in uw dagelijks leven zet en het beste van uzelf te geven.’ Ik doe m’n best, vriend, maar zaaien? Op de Camino loop ik vooral te oogsten. 

Het is een heerlijk zachte zomeravond. Keuvelend lopen Antonio en ik terug naar het hotel. Voor het slapen noteer ik de oogst van vandaag in mijn telefoon.

Almonacid de Toledo

De stad staat met zijn oude windmolens te pronken in het morgenrood. De eerste vijftien kilometer gaan soepel over vlakke wegen. In Villanueva de Bogas is een koffiebar. Op dinsdagen, vandaag dus, gesloten, zo hoor ik van een bewoner. Ze wijst op een huis waar ik voor sta: “Daar moet u aanbellen voor een kop koffie.” Dat doe ik natuurlijk niet, maar voor ik het weet heeft ze de bewoner al gealarmeerd dat er een peregrino voor de deur staat en word ik naar binnen gehaald. Het interieur is verzorgd. Veel planten en gesmede meubelen. Heerlijk om na ruim vier uur even te kunnen zitten met de schoenen uit. De man, kunstsmid, is hospitalero van de plaatselijke albergue. Hij doet met liefde zijn vrijwilligerswerk in de albergue. Ook als je verder wilt, omdat de dag nog lang niet voorbij is, staat hij graag klaar voor een pelgrim. In mijn geval met een hele pot koffie en een kan hete melk, plus nog een soort cake. Zo is mijn koffie-moment ‘vanzelf’ geregeld. Ik doneer vijf euro voor de herberg. Dat vindt hij raar en dat is het misschien ook wel, maar zoveel goedheid om niet vind ik lastig in ontvangst te nemen. 

De volgende twintig kilometer gaan ook wel goed, maar mijn energie wordt langzaam minder. Vooral mijn voeten houden niet van zulke afstanden. Liep ik het eerste stuk tussen de graanvelden, nu zijn het oude olijfgaarden met indrukwekkend dikke oude stammen. Onderweg de ruïne van een hermitage en ooit wellicht een schuilplaats voor pelgrims.

Almonacid de Toledo heeft zijn eigen kasteel, van ver al te zien. Bij de albergue, bepaald geen kasteel, staat de rugzak van Antonio. Geen idee waar hij is. Na een tijdje komt hij aanzetten – zonder sleutel. Verloren. Dat is duidelijk niet goed voor zijn stemming. Samen zoeken we zijn route af. Geen sleutel. De bar waar hij hem kreeg belt met de burgemeester. Daar kunnen we een kopie ophalen. In de deuropening van een statige woning geeft de burgemeester, een goed verzorgde dame, ons de sleutel. Door dit gedoe zijn er vandaag nog ettelijke kilometers bijgekomen. Restaurants openen hier de keuken pas om acht uur. Ik ben te moe om daarop te wachten en haal wat eten bij een kleine supermercado. Ik heb een eigen kamer met badkamer. Niet schoon maar goed genoeg. Een blik bonen en een banaan is mijn avondmaal en meteen daarna naar bed. Ik ben blij dat ik lig.

Toledo

Antonio vertelt dat hij eerst zijn kamer heeft schoongemaakt voordat hij ging slapen. Goed idee. Dat zal ik onthouden. Een nacht goed slapen heeft zijn humeur en mijn voeten goed gedaan. We lopen samen naar Bar Kuki om de kopie-sleutel “links in het venster van het linker raam naast de entree” te leggen. Daarna volgt hij een andere route dan ik. Dat bleek niet zo handig want zoals het in Spanje met veel projecten het geval is, het begin is fraai maar onderhoud, daar is niet aan gedacht. De officiële route met gele pijlen loopt dood op een snelweg, die er later overheen is gelegd. Als ik terug wil, is dat een omweg van minstens tien kilometer. Ik kruip met moeite onder het strak gespannen hek van de snelweg door, haal daarbij mijn T-shirt open, beland op een uitgestrekte finca van waarschijnlijk een veeboer en moet na een half uur lopen over een twee meter hoog hek klimmen om ten slotte weer op een openbaar pad te komen. Maar het lukt!

Van verre zie ik Toledo met indrukwekkende gebouwen op een berg. Omhoog naar het oude centrum. Hijgend zie ik mijzelf in een motorzaak staan staren alsof ik etalagebenen heb. Mijn hotelkamer vind ik vlakbij de kathedraal in een smal en oud straatje. Ik zet een raam open en hoor luide Spaanse stemmen en auto’s die zich door het straatje wringen. Eerst maar eens douchen en kleren wassen. De stofwegen laten sporen achter. Terrassen, toeristen, oude gebouwen, het kan niet op in Toledo. De kathedraal is een museum. Een museum is geen kathedraal. Zo voelt dat. Als oude man krijg ik korting. Het is groot en indrukwekkend maar in mijn ogen over de top van alle goud en beeldhouwwerken. Groepen Chinezen worden in hun eigen taal rondgeleid. Ik vergeet in mijn pelgrimspaspoort een stempel te laten zetten. Ik verken de stad, eet een plato combinado en koop veel water en mondvoorraad voor de 32 kilometer van morgen: weg uit de stad, terug naar de natuur. Daar loop ik het liefst.

Torrijos

Door zigzaggende oude straatjes omlaag, de berg af waar het oude deel van Toledo op ligt. Dan zie ik pas dat langs de bergwand roltrappen zijn gemaakt, helemaal naar boven. Dat had ik gisteren moeten weten! 

Mijn ingewanden zijn van slag. Ik wil eten noch drinken. Zonder energie ga ik op weg. Door wegomleggingen moet ik meer lopen dan me lief is. Ik volg de gele pijlen, die overal langs de Camino richting Santiago wijzen en dat is maar goed ook want de route die mijn telefoon aangeeft zou zomaar op privéterrein zijn vastgelopen, zoals ik later zie. Eén keer beland ik bijna weer aan de verkeerde kant van een snelweg-hek. Na vier uur lopen langs drukke wegen vind ik eindelijk een muurtje om op te zitten. Dan weer verder, nu niet langer langs verkeerswegen, maar over een bijna dichtgegroeid pad, niet echt fijn. Tenslotte, weer na uren lopen een dorp met bankjes. Eindelijk kan ik zitten, maar daar is het veel te warm in de zon. Ik hijs mezelf overeind en vind een terras in de schaduw van bomen. Een flesje 0% bier krijg ik maar voor de helft op. In Spanje krijg je vaak iets bij de borrel. Deze keer olijven, augurken en zilveruitjes. Ik ben er gek op, maar vandaag krijg het niet door m’n keel. Toch doen de lange pauze en een paar slokken cola me goed. 

Dreigende luchten boven de laatste zes kilometer. Snel doorlopen dus. Ten slotte loop ik door een onweersbui, maar dan ben ik al bijna in Torrijos. De regen houdt zich gelukkig in, net als het onweer. Bij de VVV krijg ik de code van een kastje met daarin de sleutel van de voordeur. Het kastje krijg ik open, maar het lukt niet met de sleutel de deur van het slot te krijgen. Terug naar de VVV. Ik heb al zoveel gelopen en nu gaat het ook nog regenen, klaag ik in mezelf. Een jongeman van de VVV loopt met mij mee en opent in één keer de deur. De albergue is ruim en netjes. 

Meestal vind ik het fijn om te lopen, maar vandaag had ik er moeite mee: last van mijn ingewanden en zo warm dat de mousse au chocolat in mijn rugzak een dikke chocolademelk is geworden.

Escalona

Dat heb ik in geen jaren meegemaakt. Ik heb meer dan tien uur geslapen! Nu nog wat pillen tegen de buikloop en op weg. Het is lekker fris buiten. Tot mijn verrassing is mijn energie terug. Zelfs de eerste zes kilometer langs een snelweg kan me niet deren. Ik kan m’n geluk niet op. Na twaalf kilometer rust ik even in een dorp, natuurlijk voorzien van een kasteel. Ik durf er nog niet aan de koffie te gaan. De volgende dertien kilometer gaan ook goed. Net als gisteren loop ik kilometers lang over een vrijwel dichtgegroeid pad, op het laatst eindigend in een grote plas, aan weerszijden dichtbegroeid. Ik loop met een wijde boog door het struikgewas en weet zo mijn voeten droog te houden. Droge voeten krijgen minder snel blaren. Er komen bergen aan. Deze streek is opeens opvallend groen. Bomen, struiken, riet. 

Escalona ligt aan een brede rivier. Tegen enen, voor het echt heet wordt, vind ik na een stevige klim mijn albergue in deze vestingstad, ook weer met een kasteel dat strategisch uitkijkt over de rivier en het achterliggende land. Op de kasteelmuren talloze ooievaars. De sleutel kan ik in een school ophalen. Ik verneem dat het de laatste schooldag is. Wel zo fijn want anders moet je voor de sleutel de politie bellen en krijg je een taalbarrière aan de lijn. De albergue is minimalistisch ingericht. Matrassen op de grond en een douche zonder scherm. Het maakt me niks uit. Ik heb weer een dak boven mijn hoofd en ik kan mijn kleren wassen. Mijn stokken dienen als waslijnen. In de zon en de wind is alles binnen een uur kurkdroog. Er zijn geen andere pelgrims, heel praktisch bij het douchen en verschonen. De stad is gezellig druk met een paar mooie pleinen en terrassen. Ik ga er na de siësta rondneuzen en wat eten. Ik heb trek. Het biertje 0% gaat er nu weer probleemloos in.

Cadalso de los Vidrios

Als ik gisteravond had geweten dat in mijn lokaal minstens vier glimmend zwarte torren van drie centimeter rondliepen, dan had ik waarschijnlijk minder goed geslapen. Een bed op poten heeft voordelen. 

Even voor zessen vertrek ik en niet eerder want dan is het nog donker. Het eerste deel is waarschijnlijk sinds honderden jaren verwaarloosd: een hobbelige strook losse keien omhoog. De zon komt op boven de velden en het terrein wordt vlak. Een paar uur later kom ik in een aardig stadje, Almorox, met veel terrassen. Sinaasappelsap en koffie. De klok van het stadhuis slaat negen uur. Het geluid komt uit grote speakers. Tijd om verder te gaan. 

Na de stad stijgt de weg langzaam in een groen bergachtig terrein. Gisteren trof ik een teek aan in mijn knieholte, waarschijnlijk opgelopen bij het lopen in het hoge gras. Ik stop mijn broek in mijn sokken, want ook nu is het pad soms helemaal overwoekerd. 

In mijn routebeschrijving staat dat ik in Cadalso de los Vidrios via de politie de sleutels van de albergue kan krijgen. Ik schiet een jongedame aan, die eruitziet als een soort handhaver. Na veel gehannes snapt ze wat de kwestie is en gaat bellen. Vervolgens brengt ze mij naar een kerk waar een agent, Juan, mij opwacht, samen met een andere man die een sleutelmevrouw belt en per se mijn boodschappentas en stokken wil dragen. Hij is zo vriendelijk om mij in de kerk rond te leiden voordat de sleutels gebracht worden. Een eenvoudige processie met mooi aangeklede vrouwen vertrekt als wij de kerk uitlopen. Een wit karretje met een baldakijn versierd met bloemen wordt door hen voortgeduwd. Het lijkt op een ouderwetse handkar van een ijsventer, maar dan met een Mariabeeld er in. De sleutelmevrouw is intussen gearriveerd. Zij laat mij binnen in een ouderwets bijgebouw van de kerk. Voor tien euro krijg ik een bed, lakens, handdoeken en een uitvoerige inschrijfprocedure. Douches, wc’s, een enorme keuken die ik niet gebruik en een overdekte binnenplaats. En weer heb ik het rijk alleen en dus een ongestoorde siësta. 

De dag sluit ik af met een bezoek aan een terras voor mijn favoriete cerveza sin alcohol. Kaartende mannen, een eenzame vrouw in het zwart, opwinding over een fout geparkeerde auto die het verkeer 10 minuten ophoudt. Televisie-voetbalgeluiden op de achtergrond, vieze sigarettenrook. Voor mij is het genoeg. Het is tijd om naar bed te gaan.

Cebreros

Het is een gedoe om de stalen poort naar de straat open te krijgen. Na een kwartier sta ik eindelijk buiten. In de schemer langs een stille asfaltweg, dat schiet lekker op, maar na tien kilometer wordt het lastig: langs en over rotsblokken en door opschietend gewas, nauwelijks geplet door de enkele pelgrim die mij voorging. Een hond, die een schaapskudde bewaakt komt nieuwsgierig naar me kijken. Verder is het stil. Ik passeer middeleeuwse bruggen.

Het laatste stuk voert over een steile weg van beton naar Cebreros. Een praatje met een geïnteresseerde wielrenner die bewondering heeft voor mijn lange wandeling en al helemaal na mijn antwoord op zijn vraag naar mijn leeftijd. Ik houd van die vraag. 

In Cebreros ga ik allereerst op zoek naar water en brood want je weet maar nooit of morgenochtend, maandag, een winkel open is. Op zondagmiddag zijn ze ook al dicht, maar toch zie ik iemand met een stokbrood lopen. Ik loop in tegengestelde richting en ja hoor, daar is een Chinese rommelwinkel die ook water en brood verkoopt. De slimmerik heeft achterin de winkel een oven, waarmee hij afbakbroodjes bakt. Bij het afrekenen kom ik een wit konijn tegen: Gustav, die vloeiend Engels spreekt, begint een praatje met mij. Ik vraag of hij mij wil helpen met een telefoontje naar de politie, waar de sleutel van de albergue zou zijn. Hij neemt me mee voor een kop koffie op een gezellig terras, stelt mij voor aan zijn beste vriend, eigenaar van dé bodega in de stad, en belt met het nummer dat ik hem geef. Hij brengt mij naar het politiebureau, waar een agente mij op de stoep opwacht met een sleutel van de albergue. Er wordt wat gegniffeld, maar ik weet niet waarom. Vervolgens rijdt Gustav mij er naartoe. Onderweg vertelt hij iets over de verdeeldheid in Spanje, nog steeds als gevolg van de burgeroorlog. “Jouw grootvader heeft mijn grootvader doodgeschoten” en dat soort verwijten etteren maar door tot op de dag van vandaag. Hij mengt zich niet in die discussie op filosofische gronden. Ik beaam, dat ik die verdeeldheid in leuzen op muren zag en in de disputen in cafés. Wij kunnen de albergue niet vinden, maar Carmen, die buurvrouw van de albergue blijkt te zijn, wijst ons de weg. Het is een klein vrijstaand wit gebouwtje. Carmen staat klaar, mocht ik iets nodig hebben. Gustav geeft zijn telefoonnummer. Ik kan hem altijd bellen, als er iets is. Wij nemen afscheid als goede vrienden. Vandaag ben ik gehuisvest in de behandelkamer voor gespietste torero’s van de arena van Cebreros. Binnen is het een ongelofelijk smerige bende. Dat verklaart vast en zeker het gegniffel. De ‘arena’ bestaat uit een omheind veld. De behandelkamer heeft een zuurstoffles, een behandeltafel, een tafeltje op wielen om het medische gereedschap op te leggen, een in hoogte verstelbare kruk, een verrijdbare vintage lamp, die ik graag in mijn huis had staan en een wasbak met koud stromend water. Als arts in ruste voel ik mij er helemaal thuis. Voor de al dan niet gekwetste pelgrim ontbreekt het stapelbed niet. Het is waarschijnlijk eeuwen geleden, dat hier iets gebeurde, inclusief schoonmaak. Ik heb mijn donativo in natura geschonken: wc papier, vuilniszakken en een vliegenmepper, bij de Chinees aangeschaft voor nog geen vier euro en een grondige schoonmaak inclusief ongedierte bestrijding. Dat is wel een beetje veel voor een albergue zonder douche, maar wie kan zeggen in de behandelkamer voor afgeslachte toreros te hebben geslapen? Morgenochtend ik.

Ávila

In warm Spanje komt men tot leven als een vermoeide pelgrim zich ter ruste legt. Ik ben net in slaap of de achterbuurman gaat met een motorblazer zijn tuin terroriseren. Uitlaatgassen waaien de kamer in. Slaap ik weer even, komt een troepje jongelui langs met veel kabaal. Daarna toch nog mijn uren gehaald voor de lange tocht van vandaag. 

Eerst meer dan driehonderd meter steil omhoog langs een keienpad. Daarna kies ik voor asfalt, want met veel kilometers voor de boeg moet het niet te moeilijk worden. De weg stijgt langzaam tot boven de 1300 meter, waar het een stuk frisser is dan beneden. Na veertien kilometer en een steile afdaling met haarspeldbochten tref ik een aardig dorp met een gloednieuwe albergue. Ik ben daar om tien uur, maar wat moet ik de hele dag in een dorp, waar niets te beleven valt. Ik besluit door de bergen over een stille weg van asfalt verder te gaan. 

Na tien uur onderweg te zijn geweest, kom ik in Ávila aan. De eerste aanblik – flats, verkeer, moderniteit – doet me plotseling verloren voelen. Ik vraag mij af waar ik mee bezig ben en denk er zelfs aan om stoppen. Ik ben wel zo verstandig om dat niet meteen maar morgen op z’n vroegst te beslissen. De binnenstad heeft mooie oude gebouwen en is geheel omringd door een indrukwekkende vestingmuur waar talrijke zwaluwen in hun snelle vlucht langs schieten. Hier helpen drie mensen prompt mijn lichtelijk bedrukte stemming op te lossen. Een jongeman, die geïnteresseerd is in mijn wandelingen, iemand die zo maar buen Camino zegt, dat had ik al een tijd niet meer gehoord, en een heel behulpzame mevrouw van de toeristeninformatie die de hospitalero van de herberg belt en mij de route ernaartoe wijst. Nog een kwartiertje lopen en ik ben bij een ruime albergue, net buiten de stadsmuur. De vriendelijke al wat oudere hospitalero wacht mij daar op met de sleutels. In de herberg tref ik tot mijn verrassing Antonio aan en, last but not least, krijg ik Ellen aan de telefoon. Zij bezweert mij de Camino af te maken. Ik stel haar gerust. In deze albergue voel ik me weer mens na alle ongezellige en onverzorgde overnachtingsplaatsen waar ik me meer een gesjochte zwerver voelde dan een eerbiedwaardige pelgrim. 

Lakens, een warme douche en een wasmachine. Kan ik morgen vol goede moed en schoon op weg. 

Camino Teresiano

Geleid door de heilige Teresa kun je een lonende ervaring beleven op basis van een ontmoeting met jezelf en, als je een gelovige bent, met God.

Tekst van de officiële site van de Camino Teresiano 

 

 

Gotarrendura

Ik laat Ávila achter zonder haar genoeg bekeken te hebben, maar net op weg krijg ik haar, schitterend in de vroege ochtendzon, toch nog in volle glorie te zien. Hier begint de Camino Teresiano. Het verkeersrumoer verstomt. In een bebost gebied schiet een ree weg. Enkele rustieke dorpjes en dan opeens bevind ik mij op de laatste uitloper van het gebergte, waarin ik de laatste dagen liep. Voor mij strekt zich in een spectaculair vergezicht een hoogvlakte uit met een paar dorpen als stipjes. Ik hoor mijzelf hardop zeggen: “Oh wat mooi.” Vandaag geen café te bekennen. Ik drink de stilte van het land. 

In Gotarrendura is een bar open voor mijn dagelijkse portie bier zonder alcohol. Er is geen enkele moeite gedaan om er iets gezelligs van te maken. De bar fungeert tevens als receptie voor de albergue municipal. Naderhand komt Antonio ook binnen. Hij is verbaasd dat ik er al ben en vertelt aan iedereen in het café die het maar horen wil, dat ik, 77 jaar oud, de langste Camino’s loop. De albergue is met overheidsgeld opgezet. Het precieze bedrag wordt op borden vermeld: een kleine vijftig mille. Dat leverde een kamer op met twee stapelbedden, een badkamer, een verblijfsruimte en een keuken in romantisch Spaanse plattelandsstijl. Ik word er naartoe gebracht door een man, die in de bar de hele tijd in een stoel voor een gokautomaat zit en voortdurend tegen niemand aan het praten is. Wij lopen langs zijn woning, of wat daarvoor door moet gaan: half ingestort, op de stoep ervoor een enorme collectie huisraad, planken en ongedefinieerde zooi. De middag sluit af met een hevige onweersbui. Fijn voor de boeren en fijn dat ik nu niet loop maar een siësta doe. Later keer ik terug naar het café, waar dezelfde man een lange monoloog houdt met huiveringwekkende details over dodelijke misdragingen van Spaanse kolonisten, slechts onderbroken om van tijd tot tijd buiten het etablissement te staan roken. Schreeuwerige clientèle herinneren aan de sfeer van een psychiatrisch ziekenhuis in de jaren zestig. 

De vrouw van de bar heeft een maaltijd gemaakt voor Antonio en mij. Lasagne, zo van de supermarkt hier de vriezer in en vandaag voor mij opgewarmd. Wat kan die vrouw koken! Er is geen enkele reden om hier nog lang na te tafelen. Ik ga terug naar de albergue om te slapen.

Fontiveros

Deze dag begint met een onverwachte spuitfontein van sinaasappelsap, dat een dag lang in mijn rugzak heeft liggen fermenteren. Een mooi begin van de dag alsof een goed geschudde fles champagne feestelijk open knalt. 

Licht golvend land. Met fijn grind verharde wegen, wat lekker irritant in mijn schoenen komt en bij het lopen knars-knars, knars-knars zegt, geluid waar ik op mijn manier op mediteer. Ik noem het leeg-lopen. Ellen noemt het vol-lopen. Het is maar net hoe je het bekijkt, maar we bedoelen hetzelfde. Velden met graan en andere gewassen, af en toe een dennenbosje met hars-taps en elke zes kilometer een plattelandsdorp van niks, maar met trots gelegen aan de Ruta Teresiana, getuige alle verwijzingen langs de weg naar de heilige Teresa, de 16e-eeuwse geleerde religieuze, die in Ávila is geboren en in Alba de Tormes, waar ik over een paar dagen hoop aan te komen, werd begraven. De la cuna al sepulcro – van de wieg tot het graf. Ze liep niet zo ver als ik maar haar boeken liepen des te beter. Op een site van deze route lees ik dat je ‘geleid door de heilige Teresa een lonende ervaring kunt beleven op basis van een ontmoeting met jezelf en, als je een gelovige bent, met God’. In gedachten schrap ik de bijzin: ‘als je een gelovige bent’. 

Ooievaars zoeken het land af naar voedsel. De enige andere lopers zijn de talloze mieren, die ijverig hun snelwegen in het wegdek uitslijten. Ik krijg dorst maar durf mijn voorraad kraanwater niet te drinken. Mijn darmen doen weer moeilijk en ik vrees, dat het opgewarmde water in mijn bidon dezelfde processen ondergaat als het sinaasappelsap. Daarom drink ik dat niet meer. Na twintig kilometer een bar: koffie, cerveza sin alcohol en een fles water. Eens te meer merk ik, hoe belangrijk het is om lang te pauzeren: na een uur in het café ben ik weer vol energie en loop ik de laatste zeven kilometer fluitend uit. Ik heb haast, want ik zie aan de lucht dat er weer een donderbui aankomt. 

Bij een café in Fontiveros krijg ik de sleutels van de gemeentelijke albergue. Twee politieagenten komen bij mij aan de bar staan en geven me de gelegenheid om op te scheppen over mijn leeftijd en de ontelbare kilometers die ik op Camino’s liep, dit jaar alleen al meer dan duizend. We maken wat grappen. Ze weten dat ik geen crimineel ben, want “Je hebt zweet op je rug”. Eén van de heren betaalt m’n colaatje en oreert: ”In dit leven is er tijd voor alles, maar het belangrijkste is om te leven.” Het lijkt wel of ik Teresa hoor. Ik neem de cola en wijsheid van hem aan. 

Onder politiebegeleiding ga ik naar het stadhuis waar mijn albergue is met daarin alles wat ik maar zou kunnen wensen: douches, koelkast, magnetron, wasmachine, behalve….. een bed. Ik word verondersteld, als een ramp-slachtoffer, te slapen op één van de tien veldbedden. Daar leg je nog geen vluchteling op, maar ik ben er tevreden mee. Als pelgrim maak je werkelijk van alles mee, krijg je niet wat je verwacht maar altijd wat nodig is en het belangrijkste: te leven.

Mancera de Abajo

Na enkele dagen zonder één enkel konijn zie ik vandaag een beperkt aantal. Het eerste is wit en loopt aan de overkant van de straat, precies op het moment dat ik de deur van de albergue afsluit. Zij roept iets tegen mij. Ik begrijp eruit, dat de sleutel in het kleine witte brievenbusje moet, en gooi hem er overtuigd in. De mevrouw reageert lichtelijk geïrriteerd en opgewonden. De sleutel had in de bus bij het gemeentehuis gemoeten. En ik maar denken, dat ik in het gemeentehuis heb geslapen. Blijkt het een postkantoor te zijn. Enfin, mevrouw is op weg naar het gemeentehuis, en zij zal zorgen dat het opgelost wordt. “Bale” zegt ze een paar keer en ik roep dat ook. Een paar dagen geleden zag ik op Google Translate, dat je dat zo schrijft: ‘vale’. Het betekent oké. 

De wandeling van vandaag is weer één groot feest: heuvelachtig terrein met de mooiste uitzichten, de bergen op veilige afstand in het zuiden, boomgaarden, akkers, koeien, ooievaars, roofvogels, muisjes die de weg oversteken, konijnen een paar kleine boerendorpjes met steevast een knots van een kerk en een bar halverwege voor koffie en een broodje dat groot genoeg is om een hele dag op te lopen. 

Aan het begin van Mancera de Abajo herinneren sculpturen de bezoeker eraan dat de heilige Teresa hier ooit ook liep. Ik krijg in het dorpscafé de sleutels van de albergue. De barjuffrouw heeft er weinig tekst bij. Op verzoek krijg ik zwijgend een stempel in mijn credencial. Na deze minimalistische ontvangst is een cafébezoeker zo attent om naar buiten te komen om mij de weg te wijzen naar de albergue die verderop in een voormalige school zit. De muren hangen vol met affiches van de heilige Teresa de Jesús, maar dat heeft gasten noch beheerder geïnspireerd de boel schoon te houden. Na een tijdje komt iemand langs om knoppen om te zetten, zodat ik warm water heb. Inmiddels heb ik een verrotte meloen op een bureau opgeruimd en de vloer en het sanitair grondig gereinigd en gedesinfecteerd met chloor. Donativo in natura in de chloria.

Teresa zou dat vast ook gedaan hebben. Zij schreef immers: “Ook tussen de pannen en de potten wandelt God.”

Alba de Tormes

Een uur voor de zon opkomt onder hanengekraai op weg. Het kan in de loop van de dag gaan regenen en ik ben minstens acht uur onderweg vandaar, dat ik zo vroeg ben. Het pad is maanverlicht. Het landschap wordt heuvelachtiger. Dat levert fraaie vergezichten op. Om acht uur zit ik ergens aan de koffie – een zeldzaam matineus geluk. 

Met regelmaat een simpel boerendorp, waar niets te krijgen is. Eén keer stuurt iemand mij spontaan in de goede richting. “Gracias señor!

In Alba de Tormes eindigt officieel de Camino Teresiano: hier eindigde ook Teresa’s leven. Ik bezoek een kerk annex klein museum, waar wat relieken van de heilige staan uitgestald en, wonderlijk genoeg, een stukje ‘vlees’. 

In Alba is geen albergue, maar het parochiehuis zou ook pelgrims herbergen. Van de vriendelijke functionaris van het parochiehuis hoor ik, dat daar alleen minvermogende daklozen terecht kunnen. Ik, te rijk, moet genoegen nemen met een hotel of ik moet helemaal doorlopen naar de albergue van Salamanca, maar dat is te ver en er dreigt onweer. 

Van de twee hotels in Alba blijkt er één dicht te zitten. Dat betekent twee kilometer voor niets omgelopen, alsof ik niet genoeg gelopen heb. Via Booking reserveer ik snel het andere hotel, dat wel open is. Het gaat regenen en onweren vlak voordat ik daar aankom. Het onweer gaat urenlang door. Ik ben blij, dat ik heb besloten om niet door te lopen naar Salamanca. 

Teresa vond hier voor eeuwig rust. Voor mij is één nacht genoeg. Morgen verder.

Salamanca

Bij het uitchecken kan de receptioniste mijn betaling niet vinden. Wij hebben geen van beiden het geduld om het uit te zoeken. Ik wil snel vertrekken want er komt vandaag nog meer regen en zij moet een handvol gasten van een ontbijt voorzien. Ik betaal opnieuw. Het komt vast wel goed.

De wandeling van vandaag is bijna ideaal: een voormalig spoorlijntje als voetpad. Geen hellingen. Van verre zie ik Salamanca liggen. De kathedraal domineert in het beeld. Wat een schitterende stad! Vorig jaar toen ik op de Vía de la Plata liep, was ik er ook zo verrukt van. Toen schreef ik dat ik daar samen met Ellen wilde zijn. Dat denk ik nu opnieuw. 

Voor de herberg moet ik een uur wachten tot die open gaat. Ik zit op een stenen trap, samen met een Amerikaan. De man heeft behalve een rugzakje een enorme rolkoffer bij zich waar onder meer een grote rugzak in zit. Ik zit hem een beetje te jennen, door te vertellen dat mijn rugzak al met al 4,5 kg weegt. Dan vertelt hij dat zijn vrouw hem dicteerde, wat hij allemaal mee moest nemen, zoals vier onderbroeken, twee pantalons, zoveel paar sokken, etc. Hij haalt een opschrijfboekje en een grote zware routegids tevoorschijn. Ik doe er nog een schepje bovenop door te vertellen, dat dat allemaal in mijn telefoon zit, wat niets weegt. Vervolgens komt hij met een dik notitieblok op de proppen, waar zijn uitgeprinte reserveringen inzitten. Tot slot doet hij mij een groot genoegen door zijn vier brillen met bijbehorende kokers te tonen. We kunnen er samen om lachen en zo zijn wij voor het moment dikke caminovrienden, tot hij vaststelt met mij boodschappen te gaan doen. Dat gaat niet gebeuren want zo ver gaat mijn vriendschap nou ook weer niet. 

De albergue ken ik van vorig jaar, toen ik over de Via de la Plata liep. Hij stelt niet teleur. Een vriendelijke ontvangst door twee Engelssprekende vrijwilligers en eindelijk weer eens een paar mensen met wie ik kan praten. Ik deel een kamer met de Amerikaan maar doe mijn boodschappen alleen. Op zoek naar brood, fruit, water en sinaasappelsap. De Amerikaan heb ik nauwelijks nog gezien, behalve slapend in zijn bed, hartstochtelijk snurkend. Hij eet vast een Big Mac in plaats van brood, fruit, water en sinaasappelsap. 

Later maak ik een wandeling door de stad. Op de Plaza Mayor staat een gelukkig kind met een wit pluche konijn. Ik mag haar op de foto zetten. Haar grootvader schenk ik één van mijn minikonijntjes. Hij geeft het door aan het kind, dat er intens blij mee is. Een gouden momentje. 

Ik geniet van de prachtige pleinen, parkjes, terrassen en mooi gerestaureerde gebouwen met kunst-exposities om van te watertanden. Er komt geen eind aan al dat moois. En toch loop ik morgen verder, op weg naar Santiago. Ook daar komt geen eind aan.

Camino Torres

“Je hebt het verdiend”

Rosi, burgemeester van Aldea del Obispo

 

 

Robliza de Cojos

Diego de Torres Villarroel, befaamd professor aan de universiteit van Salamanca, maakte in 1737 een pelgrimstocht van Salamanca naar Santiago omdat hij iets goed te maken had. Vanaf vandaag loop ik dezelfde tocht, de ‘Camino Torres’, die via Portugal na omstreeks zeshonderd kilometer in Santiago eindigt en waarvan de laatste honderddertig kilometer samenvalt met de Camino Portugués. 

Bij mijn vertrek om zeven uur is het met elf graden en een stevige wind gewoonweg koud. Een laatste blik op Salamanca en daarna vierendertig kilometer zonder ook maar één dorp, laat staan huis en zelfs geen bank of iets om op te zitten en uit te rusten. Pas na uren worden mijn handen warm. Het pad is een cañada real: een eeuwenoude transhumance. Brede stroken grond begroeid met grassen en struiken, die door het hele land lopen en waar vee aan het eind van het seizoen van zomer- naar winterweides wordt gedreven en andersom. Een paar grote boerenbedrijven met koeien en uitgebreide boomgaarden. Een kudde koeien en stieren brengt de transhumance tot leven door midden op het pad te staan en bij mijn komst voor mij uit te lopen. Ze hebben grote horens en kalveren. Ik durf er niet goed langs. De hele tijd niemand gezien en precies nu komt een auto aangereden. De chauffeur kan mij vast wel vertellen of ik er veilig langs kan. In vloeiend Googles vraag ik het hem. Ja, het is oké, als ik maar met een grote boog eromheen loop. Niet zo handig als die boog vol met struiken staat. Na een tijdje lukt het op een plek, waar de begroeiing minder dicht is. De koeien en ik houden elkaar scherp in de gaten. Dat was wel zo’n beetje het meest opwindende moment van de dag, of het moest een loslopende hond zijn. De eigenaar doet hem aan de lijn. In Spanje is men meestal wel zo vriendelijk om een hond onmiddellijk aan te lijnen, zodra ik in het vizier kom. Dit soort rustige dagen helpen om in het hier en nu te zijn en daar gaat het om wat mij betreft. De laatste kilometers zijn zoals meestal moeizaam, maar bieden wel weer de vergezichten, waar ik zo van houd. Aan de horizon zie ik bergen. Daar schijn ik later overheen te moeten. 

Aan het begin van Robliza de Cojos ontdek ik een bar met een groot terras vol gezinnen en vriendengroepen die op de vrije zondagmiddag gezellig bij elkaar komen en waar ik eindelijk kan gaan zitten. Lekkere warme broodjes kip, serveza-sin en lauwe koffie. De barkeeper belt voor mij naar Cristina van de albergue. Na een half uur komt ze me met de auto ophalen. Zij doet haar best om het mij naar de zin te maken. “Welcome”, zegt ze een paar keer. Wat een lieverd. De herberg is gevestigd in een leegstaande school met een grote tuin en een afdak, waar ik het mij gemakkelijk maak. Heel bijzonder: op zondagavond gaat van vijf tot zeven in een boerenschuur zonder ramen de ruime, nette en eenvoudige dorpssuper open. Zo kan ik morgen met vers water en proviand weer verder, want onderweg is waarschijnlijk niets te krijgen. De Camino zorgt weer perfect voor mij.

Alba de Yeltes

Vandaag ga ik naar San Muños maar het loopt anders dan gepland. Na 22 kilometer langs heel veel koeien die achter hekken staan en als een dolle van mij weghollen, en opnieuw de mooiste vergezichten kom ik in San Muños aan. Alle cafés zijn dicht. Daar verwijst een dame van het gemeentehuis mij naar de albergue “in het huis van de dokter.” Zij vraagt mijn naam en maakt een foto van mij. Onderweg hoor ik, dat in de albergue daklozen zitten. De albergue zit onder hetzelfde dak als de dorpsdokter, een vrouw die duidelijk geen zin heeft in pelgrims. Zij praat in rad Spaans. Google kan haar niet bijhouden, maar één zin blijft hangen: ”Je moet wachten.” Ik voel me afgescheept. Zo ga je toch niet om met een pelgrim. Door een raam zie ik, dat het in de albergue een afzichtelijke bende is. Ik ga op een bankje zitten en overpeins de situatie terwijl ik mijn collega in een dikke vette Audi zie wegrijden. Wachten tot die zwijnenstal opengaat en geen café hier? Dan nog maar vierentwintig kilometer erbij. Op dat moment stopt een mobiele handelaar aan de overkant van de straat. Dat kan geen toeval zijn. De chauffeur doet de deuren van de laadruimte open en zie daar: een zwaar opgemaakte Spaanse, knalrode lippen die ik nooit vergeten zal, staat daar tussen stapels groenten. Zij is goed voor een kam bananen: krachtvoer voor de lange afstand en op het juiste moment te koop. Wit konijn!

Doorlopen naar Alba blijkt, ondanks dat onderweg twee teken op mij landen, een goede gok. Aan het begin van het dorp zijn veel mensen aan het jeu de boulen. Zij wijzen mij enthousiast op de albergue die naast de baan staat en gebaren, dat ik gewoon naar binnen kan gaan. Binnen word ik ontvangen door twee dames. Aurora, een oudere vrouw, is hospitalera. De andere, Manoli, ook op leeftijd, is van de plaatselijke bar. Zij regelt meteen een maaltijd in haar bar en een broodje kaas voor het ontbijt. Witte konijnen op precies het goede moment. Aurora is verbaasd dat ik er ben. Zij had doorgekregen, dat ik morgen zou arriveren! Kennelijk heeft Cristina haar gebeld of de mevrouw van het gemeentehuis van San Muños. Ik kom er niet achter, maar bijzonder is het wel. Aurora moppert, dat sommige gasten er een zooitje van maken. “Gisteren nog een heel gezin. Die gingen naar een bruiloft. Dat zijn geen pelgrims.” Daarom is zij nu aan het opruimen. Ik haal een wit voetje bij haar door te vertellen dat ik twee keer een albergue heb uitgemest. Aurora wijst me een koffiezetapparaat aan plus melk en gemalen koffie voor een kop koffie morgenochtend bij mijn ontbijt. Zij vraagt mij voor haar te bidden als ik in Santiago ben. Dat beloof ik. Hier heerst nog het echte authentieke roomse pelgrimsgeloof.

Ciudad Rodrigo

Na de filterkoffie van Aurora, het broodje van Manoli en zes kilometer asfalt over, wat ik op een bord lees, de Cañada Real de Extremadura – dat laatste woord betekent extreem moeilijk – bereik ik het dorp Bocacara, waar beide bars gesloten zijn. De werkster die ik naar binnen zie gaan is niet van plan deze pelgrim van de eerste levensbehoeften te voorzien, maar ik ben niet van plan om de volgende twintig kilometer op slechts een blikje cola en een halve liter water te lopen. Een oudere heer lost het voor me op door het aan een paar bouwvakkers te vragen. Natuurlijk vullen zij mijn fles met kraanwater. Vervolgens gebaart hij mij met hem mee te komen, terug naar het bankje waar ik mijn stokken had laten liggen. Ik bedank hem voor zijn hulp en ga weer verder. 

Eerst door een bos met kurkeiken, vervolgens langs graanvelden en dan weer over graspaden door velden met dichte begroeiing. Na het gras kijken of dat nog teken heeft opgeleverd en ja hoor, ik zie er één over mijn broek omhoog lopen, op weg naar de grazige weiden van mijn lijf. De zoveelste binnen enkele dagen. Ten slotte door het missen van een afslag op doorgaand asfalt beland. Dat scheelt bijna twee kilometer in mijn voordeel, fijn bij negenentwintig graden onder een Reckitt’s-blauwe hemel. 

Ciudad Rodrigo is een mooie klassieke Spaanse vestingstad. De albergue is heel groot en berekend op allerhande toeristisch-educatieve pakketten voor de jeugd, maar die is er niet. Wat er wel is: stank. De actie van een loodgieter of rioolspecialist had waarschijnlijk meer effect gehad dan het overdadig spuiten van synthetische bloemengeur. Het beperkt mijn verblijfsgenot aanzienlijk. Ik mag dan pelgrim zijn, dat wil niet zeggen, dat ik van stank hou. Dat geldt trouwens ook voor de regelmatig verstikkende stank van varkensmesterijen onderweg. Maar verder ben ik weer heel tevreden.

Aldea del Obispo

Het selfservice ontbijt in een koelkast is ver over de datum, het fruit deels verrot. Wat een stinktent. Zo vroeg mogelijk naar buiten, het wordt een warme dag met kwik boven de dertig en haast geen wind.

Afwisselende route, variërend van asfalt tot hoog gras. Dat laatste is niet fijn: er prikt van alles door m’n sokken. Een paar keer deel ik de route met koeien en stieren. Ze lopen eindeloos met me mee en laten nauwelijks ruimte om te passeren. Ook dat is niet fijn.

In Aldea weet ik niet goed waar ik de sleutel van de albergue kan vragen. Uiteindelijk beland ik op een overdekt terras aan het Plaza Mayor, waar een paar mensen zitten. Ik roep “hola” en onmiddellijk gaat een dame voor mij bellen met Rosi, de burgemeester. Zij komt na een kwartiertje aangereden. Knalrood haar, blauw T-shirt en korte spijkerbroek. Samen met de belster brengt zij mij naar de albergue, die perfect is. Goede bedden, een keuken en sanitair zonder gebreken. Ik krijg uitvoerig tekst en uitleg en ze lopen ook nog een eindje mee om de kruidenier aan te wijzen. Ik bedank hen voor hun hartelijkheid. “Je hebt het verdiend” is hun moederlijke reactie. Honderd keer beter dan die stinktent van gisteren, waar ik verdorie ook nog mijn handdoek heb laten liggen. Gelukkig liggen hier handdoeken. Morgen vind ik er vast wel één te koop in Pinhel.

Ik koop wat mondvoorraad in de nette eenvoudige supermarkt, die de dames me hebben aangeraden.

Pinhel/Coimbra

Het wordt vandaag vijfendertig graden, dat betekent om zes uur vertrekken om voor de grootste hitte binnen te zijn. Binnen een half uur ben ik in Portugal. Daar krijg ik een uur cadeau en is het weer half zes. Vlak na Almeida, een mooie vestingstad, stormen vier blaffende honden op mij af. Eén kan ik wel aan, maar vier….ik besluit om te keren. Honderd meter terug is een shunt naar snel asfalt zonder honden. Vlak voor Pinhel steekt een vreemd soort hond de weg over. Hij blaft niet en heeft geen halsband. We houden elkaar in de gaten en mijden elkaar. Als ik doorloop steekt hij opnieuw de weg over en verdwijnt in het groen. 

In Pinhel bezoek ik een lokale medische post omdat ik last heb van mijn linkeroog. Rond twaalf uur ben ik er. Na twee uur wachten, voldoende tijd om mijn ‘ziektegeschiedenis’ in mijn telefoon op te schrijven en in het Portugees te vertalen, en een hoop gedoe maar geen onderzoek, behalve een overbodige bloeddrukmeting, wordt een taxi besteld. Dertig kilometer verderop in Guarda is een ziekenhuis waar een oogarts is. De taxichauffeur kan nauwelijks schrijven. Hij prutst iets op een visitekaartje. Dat moet dan maar de nota zijn. De teller staat op 42 euro, 40 vindt hij genoeg. 

De zuster van de intake zegt meteen dat een dokter naar mij zal kijken maar dat in dit ziekenhuis geen oogarts is. Ik word in een wachtkamer gezet, naast een oudere vrouw, een psychiatrische patiënte zo te horen. Zij uit luidkeels haar ongenoegen over iets of niets. Kennelijk denkt ze dat iedereen net zo doof is als zij. De hele wachtkamer kijkt schijnbaar onbewogen toe. Dan komt de voedselvoorziening met een trolley binnenrijden. Broodjes, koffie en thee. Ik kies een broodje Vache qui rit. Best lekker als je trek hebt. Bij de voedselvoorziening kan er wel een lach van af. Intussen ontdek ik een stopcontact boven mijn hoofd. Goed om de telefoon bij te laden. Wat zou ik graag foto’s maken! De tijd verstrijkt, zonder dat het aantal wachtenden afneemt. Straks is de ogendokter al lang naar huis als ik aan de beurt ben, maar de lieve intake-zuster verzekert mij dat die 24 uur beschikbaar is. Kennelijk is een ordentelijke verwijzing nodig. Om half zes roept een dokter: “Jan Gerritsen”. Ik vergeet even, dat ik in Portugal ben en roep in onvervalst Hollands terug: “Dat ben ik!” Hij verontschuldigt zich voor de lange wachttijd en legt uit, dat hij voor drie collega’s moet waarnemen. Hij zal contact opnemen met een oogarts in Coimbra, 168 kilometer verderop en maakt voor zijn verwijsbrief dankbaar gebruik van de ziektegeschiedenis, die ik gemaakt heb.

Terug naar de wachtkamer, waar je in één middag een heel boek algemene ziekteleer te zien krijgt. Voor de zoveelste keer rijdt de schreeuwende mevrouw krijsend in haar rolstoel richting uitgang. Dat is niet de bedoeling. Het personeel en een behulpzame wachtende rollen haar weer terug. Mensen schuifelend met een infuus, patiënten die met bed en al door de wachtkamer worden geduwd, een lange jongeman die allerhande katatone houdingen aanneemt, kortom een pandemonium. 

Ik word opnieuw bij de dokter binnengeroepen. Het intercollegiaal overleg met een oogspecialist heeft als resultaat, dat ik met spoed naar Coimbra moet voor onderzoek en eventueel behandeling. Van de verzekeraar mag dat per ambulance. Ik ben weliswaar een spoedgeval, maar de ambulance laat nog geruime tijd op zich wachten. Om zeven uur komen de etenswaren weer langs. Ik neem weer een broodje koedielacht. De schreeuwende mevrouw krijgt ook een broodje. Zij schreeuwt met volle mond. Ik zeg haar dat dat niet hoort. In het Nederlands. Daarop bedaart zij even. De onbewogenen lachen nu een beetje. Ik ga naar de wc en moet daarvoor tussen twee bedden, gevuld met patiënt, door laveren. Het stinkt heel erg, net als soms op het platteland. Ik meen dat dat van de patiënten komt. Na afloop blijft de wc onder veel geraas doorstromen. Die moet een verwijzing loodgieter krijgen. Uit één van de bedden stijgen hevige snurkgeluiden op. Met drieëndertig kilometer in de benen en op vanaf vijf uur lokale tijd, dat is vier uur hier in Portugal ben ik ook wel toe aan een dutje. Mijn buurvrouw begeleidt deze gedachte met een gierende huilbui, waar een ezel jaloers op zou zijn. Een mevrouw troost haar, maar dat helpt niet lang en weer probeert ze ervandoor te gaan met haar rolstoel. 

Eindelijk, tegen achten, word ik in een rammelende ambulance gezet voor een rit van twee uur naar het Hospital da Universidade in Coimbra. Daar, op een druk verkeersplein laat de chauffeur even de triofoon loeien. Heerlijk. De universiteitskliniek: wat een ouwe meuk, maar ik krijg wel een adequaat onderzoek. Tegen middernacht hoor ik dat het iets met het glasvocht is wat vanzelf over gaat.

Ik overweeg achter een stapel stoelen in een wachtkamer te gaan slapen maar een bewaker voorkomt dat. Ergens in een gang ga ik zitten om een hotel te zoeken, liefst in de buurt. Booking kan alleen maar bedenken dat ik voor de volgende nacht iets zoek. Daar heb ik niks aan. Ik wil nu een hotel. Op mijn kaart zie ik een hotel vlak in de buurt met een 24-uurs receptie. De uitgang van het ziekenhuis is moeilijk te vinden, geen bordjes maar papieren aanwijzingen die elkaar tegenspreken. Twee maal vragen en eindelijk sta ik buiten. Na een kwartiertje lopen door een donkere stad ben ik bij het hotel, groot en modern. Dat is nog eens wat anders dan een albergue communal. Om één uur ‘s nachts lig ik tussen witte gestreken lakens. Heerlijk om niet geheel onthecht te zijn.

Trancoso

Coimbra is een mooie stad maar daar zie ik niet zo veel van. Decathlon, waar ik een handdoekje en merino T-shirts wil kopen, ligt zes kilometer buiten het centrum. Daar ben ik een halve dag mee zoet en ze hebben niet eens geschikte handdoekjes. Later lukt dat wel bij een Chinese winkel waar je van alles kunt kopen, van schroeven tot bikini's. 

Ik voel me te moe om steil omhoog het centrum in te lopen. Beneden zijn ook wel leuke straatjes en pleinen. Op een klein gezellig terras geniet ik van een goed bord eten en regel ik online een ticket voor de bus van vijf uur naar Trancoso, de stad waar ik vandaag naar toe zou zijn gelopen vanuit Pinhel. Hoe mooi Coimbra ook is, geef mij maar de rust van het platteland. Dan maar geen witte gestreken lakens.

Trancoso is een stil vestingstadje. Op de vrijdagavond zie ik bijna geen mens. De terrassen zijn leeg. Misschien is het nog te vroeg in de avond. Mijn hotel is uitmuntend, zeker gezien de slechts vijfendertig euro. Er zijn geen andere gasten. Dat wordt vast goed slapen en ook weer tussen witte gestreken lakens.

Sequeiros

Het hotel was oké, het bed idem en toch niet goed geslapen. Dan is vierentwintig kilometer, zelfs op zo veel mogelijk gemakkelijk asfalt, meer dan genoeg. Eén keer maak ik rechtsomkeert, als mijn pad na een oeroud stenen brugje in een wildernis ontaardt. Meerdere loslopende blaffende honden, maar geen één heeft het lef om dichtbij te komen als ik terugblaf en met mijn stokken dreig. 

In mijn telefoon staat een adresje voor twintig euro. Ja hoor, ze hebben nog wel een kamer voor mij. Kom ik bij een chic vier sterren hotel met veel feestelijk geklede gasten. Ik val een beetje uit de toon met mijn weinig feestelijke outfit. Een kamer kost honderd euro, maar de receptionist voegt er aan toe, dat bij restaurante Santo Estêvão, honderd meter verderop, kamers zijn van dertig. Win, win: die man voelt gewoon, dat ik op de penning ben en hij is van deze zwerver af. De kamer bij de buren is meer dan goed, beter nog dan afgelopen nacht. Onbegrijpelijk hoe ze dat hier doen voor een paar tientjes. Voor dat geld heb ik zelfs een zwembad met gillende kinderen en op mijn kamer een kinderledikantje, maar zoveel luxe hoeft nu ook weer niet.

Moimenta da Beira

Mijn energie is weer terug na een uitstekende nachtrust. Om dan ook nog na acht kilometer in het rustieke dorp Lapa een koffiebar te vinden, pastéis de nata erbij, heerlijk. Geen lastige honden, alleen irritante vliegen. Stille asfaltwegen. Dennenbossen. Veel hellingen. Een dorp van ruïnes, Carapito, waar ik uitrust en lunch. 

Moimenta heeft een statig oud gedeelte met veel adressen waar je kunt overnachten maar die blijken allemaal gesloten, al dan niet definitief. Een jongedame in een café geeft me een adres maar helaas, vandaag gesloten. Uiteindelijk vind ik een kamer, maar het adres kan ik niet vinden. Ik schiet op straat een willekeurige dame aan en vraag of zij mij kan helpen. Zij spreekt Frans, belt met het adres en brengt mij, rad Frans pratend waarvan ik tien procent versta, helemaal naar mijn ‘hotel’, driehonderd meter verderop. Wat een vriendelijke hartelijkheid. Daar word ik opgewacht door de bazin, een knorrige oude mevrouw, die op haar beurt totaal gespeend is van vriendelijkheid laat staan hartelijkheid jegens mij en haar erbarmelijk blaffende hond die, in de hitte aan zijn lot overgelaten, in een smerig hok in de achtertuin vol rotzooi wanhopig rondjes loopt. Mijn kamer heeft een simpele ouderwetse badkamer met de nodige gebreken en een zijkamer met een extra bed en raampjes op ooghoogte. Etenslucht en mottenballen. De inrichting stamt uit de jaren vijftig. Het is er gehorig en de stofzuiger is waarschijnlijk al jaren kapot. De bazin vindt het niet nodig om de gegevens van haar gast te noteren. Zwijgend neemt ze de huur voor één nacht in ontvangst. Dezelfde prijs als mijn suite van afgelopen nacht. Hoe durft ze! En toch, het is wel voor de derde opeenvolgende dag, dat ik een kamer met nummer 6 krijg. Voor Chinezen een geluksgetal, vooral als 666, zo lees ik in Wikipedia. Nou moet ik zeggen, dat ik het in Coimbra bij een Chinese winkel aangeschafte handdoekje van €2,15 ongelukkigerwijs dezelfde dag nog ben kwijtgeraakt, maar vandaag, op weg naar een supermarkt vlak bij mijn mottenballenkamer, vond ik zomaar weer in zo’n Chinese winkel een handdoekje, nu voor slechts €1,95. Als dat geen geluk is!

Lamego

De route loopt vandaag door meerdere aantrekkelijke en zo te zien redelijk welvarende dorpen met fraaie kerkjes. Ik loop door een veelheid aan landschappen: wijngaarden, akkers, bossen en vooral bergen, heel veel bergen, en het pad, hier vaak geplaveid met vierkante granieten blokjes, gaat er nooit om-, maar altijd overheen. Ik loop ook nog één of twee kilometer verkeerd. Om half elf koffie. In de bar staat een gezelschap, dat mijn koffie betaalt. Zomaar. Dat vind ik leuk. Ik neem zelf nog een kop voor het enorme bedrag van één euro. Goede koffie van vers gemalen bonen, zoals overal in Portugal, zelfs in de meest mottige cafeetjes. 

Als ik verder loop zie ik vanachter de bergen rookwolken opstijgen. Duidelijk een natuurbrand. Op een gespecialiseerde site vind ik waar het precies is. Voorlopig nog ver weg, maar ik houd het goed in de gaten, ook met het oog op de route van morgen. 

Bij een middeleeuwse toren, die een even oude brug bewaakt, is een terras waar ik de tijd neem om bij te komen met een glas cola, dat wil zeggen suiker, cafeïne en water oftewel energie, pep en vocht, net wat ik nodig heb. De steile wegen van vandaag vragen om lange en frequente pauzes. Daardoor ben ik lang op weg. 

Aan het eind van de middag kom ik bezweet en vermoeid aan in Lamego. De kathedraal zit, zoals veel kerken in Portugal en Spanje, dicht. Ertegenover staat mijn hotel, dat schoon is met een ouderwets interieur. De kamer biedt uitzicht op het plein met de kathedraal. Ik doe boodschappen en kijk wat rond. De stad telt veel kerken. Aan het eind van een langgerekt plein met terrassen, vijvers en standbeelden gaat een lange barokke opgang meer dan honderd meter omhoog naar een kerk met twee torens die theatraal naar het Hogere wijzen. Tussen al die pracht en praal van dit bedevaartsoord voel ik me als een kers op een grote roomse slagroomtaart, maar ik mis de energie om ruim zeshonderd traptreden te nemen en bovenaan de zegeningen van Nossa Senhora dos Remédios in ontvangst te nemen.

Mesão Frio

De hele dag valt een spatje regen, te weinig voor de boeren en zelfs een regenjas. Het voordeel is dat het niet zo heet wordt onder het wolkendek. Dat komt goed uit want nog nooit heb ik zulke steile hellingen genomen als vandaag. Dat is zuchten en zweten, al is het niet meer dan tweeëntwintig graden. Ik moet er niet aan denken om hier bij dertig graden te lopen. Na een uur rennen vijf blaffende honden op mij af. Een vrouw komt samen met nog twee honden af op het kabaal dat de honden én ik maken. “Nada mal.” Ik roep verontwaardigd in goed Nederlands terug dat je dat nooit zeker weet en ben tegelijkertijd trots dat ik ze, weliswaar trillend van de schrik, heb getrotseerd. Andere honden die ik vandaag tegenkom liggen aan de ketting, zitten achter een hek of komen niet in beweging, dus dat is verder geen probleem. Bij Peso da Régua passeer ik de Douro over een lange ouderwetse ijzeren brug met veel toeristen. Die drommen samen in drukke toeristische hotspots maar verder zie je ze niet. Na twee kilometer langs de Douro gaat de weg over een onbewaakte spoorwegovergang en dan extreem steil omhoog. Schitterende uitzichten over het dal en de rivier zijn mijn loon voor de hijgerige klim. Dit gebied is uniek en van grote schoonheid. Eeuwenlang is hier gezwoegd om op de berghellingen met stenen muren terrassen aan te leggen voor de teelt van wijnstokken die in strakke rijen staan opgesteld, bijzondere grafische effecten in het landschap tekenend en terecht tot werelderfgoed uitgeroepen. 

Het overnachtingsadres in Mesão Frio waar ik gisteren reserveerde blijkt een restaurant te zijn. Als ik daar aankom laat een bezorger een vijfliterfles wijn op de grond kapot vallen. Voorlopig geniet ik van de heerlijke geuren die van de plas wijn opstijgen, mij niet bewust van dit voorteken van tegenspoed, zoals ik weldra merken zal. Binnen weet men mij te vertellen, dat ik geen kamer maar een tafel heb gereserveerd voor vanavond. Had ik al gezegd, dat het niet werkt als ik moet telefoneren met iemand die enkel Portugees spreekt? Zo gaat mijn illusie van een lekker bed aan diggelen, maar heb ik wel perspectief op een goed bord eten. Enigszins teleurgesteld loop ik naar buiten, maar er is hoop: verderop zie ik met hele grote letters HOTEL op een dak staan. Helaas, nog een tegenslag. Dicht en al jaren, gezien de verwaarloosde staat van het gebouw. Uiteindelijk vind ik een B&B. Wel vervelend dat de uitbaatster mij nog meer wil laten betalen dan Booking. Op mijn gepruttel geeft ze vijf euro toe, maar dan zonder ontbijt, want ze is niet van plan om voor deze vroege pelgrim om zes uur het bed uit te komen. Zij rekent contant af. Madam steekt het geld zwart in haar zak. De kamer is luxe en heeft een schitterend uitzicht over de bergen en de Douro en er is zelfs een zwembad in de tuin. Zo begin ik me steeds minder een pelgrim te voelen. De luxe lonkt. Ik sta een uur onder de douche en gebruik alle handdoeken, zeepjes en shampoos. Had ze maar aardiger moeten zijn. Terug het dorp in, waar een vriendelijke groenteboer mij de albergue aanwijst die wel open is en een stuk goedkoper dan de negen tientjes van de B&B. In het restaurant staat een keurig gedekte tafel voor mij klaar. Het eten is heel goed en voordelig, de bediening vriendelijk. 

Eind goed, al goed. De tegenspoed valt mee.

Amarante

De weg stijgt voortdurend, soms met wel twintig procent, maar het is de moeite waard. Ik ben opnieuw vol bewondering voor de mensen die hier in de bergen leven en het gebied in de loop van de eeuwen begaanbaar maakten. Gehuchten die tegen steile hellingen zijn geplakt. Als plattelander komt het mij schier onbegrijpelijk voor. Verrassing: na zes kilometer een onberispelijk etablissement. Dat betekent zitten, uitrusten, cafeïne en cake, onmisbaar voor het volgende stuk: verder steil omhoog door bossen naar het hoogste punt van vandaag: 884 meter, bijna zeshonderd meter hoger dan bij de start vandaag, drie uur geleden. Nog steeds is het weer mij gunstig gezind met een bewolkte hemel en een graad of twintig, en dat midzomer. Daarna de beloning: de afdaling over een kronkelweg in een uitbundig groene omgeving. De zon breekt door. 

Het centrum van Amarante loop ik binnen over een lange klassieke brug. Vlakbij is een hotel met kamers en slaapzalen. Ik kies voor een slaapzaal. De kans is groot, dat er verder niemand bij komt. Ik ben weliswaar in een drukke toeristenstad beland, maar toeristen slapen niet in zalen. Mooie oude gebouwen, pleinen, kerken, terrasjes. Het klinkt afgezaagd, maar dat is het niet. Om half acht eet ik op een terras. In Portugal is dat vroeg, maar voor mij te laat: ik wil naar bed!

Guimarães

Vandaag van alles wat: mist, motregen, zon, veel asfalt en verkeer, een paar stevige hellingen, een ideaal pad op een verlaten spoorlijn, koffie op z’n tijd en twee etappes op één dag omdat de eerste etappe te vroeg in een volstrekt oninteressante plaats eindigt. Wat zou ik daar de hele dag moeten? 

Af en toe zie ik iemand aan het werk op het land. Gewoon met een hak de grond bewerken. Regelmatig, ook in de grotere steden, een overlijdensadvertentie aan een lantaarnpaal geplakt, inclusief een foto van de overledene toen die nog leefde, altijd te dik. Een bakker rijdt rond en hangt plastic zakjes met broodjes aan het hek van zijn klanten. Ergens rijdt een wagen, die luid belangrijke mededelingen omroept. Een kerkklok die nep de tijd slaat door luidsprekers. Wijngaarden, waar nog veel handwerk in zit, omdat het terrein niet geschikt is voor grote machines, of omdat het arbeidsloon goedkoop is, ik weet het niet. Gifspuiters zonder maskers. Veel ruïnes, zelfs van een groot kloostergebouw. Flats en andere panden die nooit zijn afgebouwd. Een oude vrouw die bij een openbare wasplaats met de hand haar was doet. Kubistische nieuwbouwvilla’s met veel wit en zwart en glas, soms zover doorgeschoten, dat het op een bunker lijkt. Daartussen traditionele panden compleet met hekken, opgefleurd met leeuwen of adelaars die de entreepoort bewaken en allebei naar rechts kijken. Links was zeker op. Zelden hoor ik een hop met z’n mooie zachte hophophop-geluid…

Het bedevaartsoord Guimarães is een klassieke Portugese stad met een knots van een kasteel en trots op zijn kerk aan het eind van een allee van oprijzende barokke tuinen alsof de loper reeds is uitgelegd voor Onze Lieve Heer bij diens wederkomst. Ik voel me bevoorrecht om hier middenin het centrum in een spotgoedkoop designhotelletje te zitten. In de kleine lobby staan twee geglazuurde witte konijnen in een nis. Ik heb er nog één van mijn minikonijnen bijgezet, na de geïnteresseerde en niet onaantrekkelijke receptioniste te hebben ingewijd in het evangelie van het witte konijn.

Braga

Weinig kilometers vandaag. Dus kan ik laat vertrekken en doe rustig aan, aanvankelijk door een aangenaam stedelijk decor met volop koffie, water, cola, brood, fruit, yoghurt, kapelletjes en zelfs twee keer bom caminho door aantrekkelijke dames en één keer door een broodmagere sigaretten rokende man, die mij water aanbiedt. Maar dan. De gevreesde bult van bijna 250 meter waar ik niet om heen kan. Het pad is een met grote platte keien geplaveide oude Romeinse weg door een eucalyptusbos. Vaak ontbreekt een kei. Gejat om een hut mee te bouwen? Boven op de bult staat een kerk, ook weer voorzien van een oprijlaan voor Onze Lieve Heer, het zoveelste bedevaartsoord waar ik langs kom. Concurrentie voor Santiago. 

Braga binnenlopen is minder onaangenaam dan gebruikelijk bij grote steden. Mooie lanen met veel groen en eigentijdse appartementen en woningen. Ik verschaf mij toegang tot mijn hotelkamer door middel van diverse codes. Ik heb liever een levende receptioniste. Mijn ‘kamer’ meet slechts vijf vierkante meter. Meer heb ik niet nodig en het is altijd nog beter dan een stapelbed in een slaapzaal, en vooral: midden in het centrum dat grandioos pronkt met fraaie gebouwen en straatjes. Het gedeelde sanitair is onberispelijk en vandaag nog niet gebruikt door andere gasten, wel zo fijn. Ik loop al dagenlang een noodvoorraad bonen in blik mee te sjouwen, maar de nood kwam niet. Dan moet dat nu maar mijn avondeten zijn en wordt de rugzak nog lichter. Daarna een rondje binnenstad, inclusief een zeer goed gevuld glas port van inferieure kwaliteit op één van de overvolle terrassen, waar van alles op de kaart staat behalve een gezonde salade. Het is een heerlijke lauwe zomeravond. Hadden we die in Nederland maar vaker. 

Ik wil op tijd naar bed voor de lange tocht van morgen. Mijn hok is niet alleen erg klein, maar ook bloedheet van de zon die de hele dag naar binnen scheen. Het raam kan open, niet alleen voor frisse lucht, ook voor het lawaai van de drukke straat beneden en de muggen. De aanwezige ventilator maakt een herrie als een grasmaaier van de gemeentelijke plantsoenendienst. Raam dicht en ventilator uit. De smorende hitte en het feit dat ik vlakbij een bedevaartsoord slaap helpt prima om me weer een beetje pelgrim te voelen.

Ponte de Lima

Over deze lange route kan ik kort zijn. Heuvelachtig, groen, beken, stroomversnellingen, huizen, kerken, eucalyptusbossen, een hop en blaffende honden. Achter de bergen nog meer bergen. De inspanning slokt mijn aandacht op. Het lukt niet goed in het ritme van het lopen te blijven. De dorpen hier zijn saai modern, de steden klassiek mooi en hoewel verschillend, toch hetzelfde: oude gebouwen, fraai betegelde panden, gezellige pleinen, natuurstenen boogbruggen. Ik raak bijna oververzadigd van al dat fraais. 

In het toeristisch drukke Ponte de Lima komt de Camino Torres,waar ik tot nu toe als enige liep, samen met de Camino Portugués over land. Ik kijk in m’n telefoon waar de herberg precies is. Een man vraagt: “Albergue?” Ik knik. “Je staat voor de deur!” In de herberg zie ik op een overloop een vrouw. Wij groeten elkaar. Zij zegt: “How are you?” De gebruikelijke reactie op een dergelijke vraag is meestal zoiets als oké dank je, maar na vijf weken van stilte vat ik het op als oprechte belangstelling voor mijn persoontje en pomp wat wederwaardigheden over mijn voettocht in haar oren. Deze gemeentelijke albergue is groot met meer dan voldoende plaats voor de naar schatting vijfendertig gasten. Het voelt goed om tussen de mensen te zijn, maar het is ook wennen. Vooral het voortdurende gepraat om mij heen. Naast mij zijn twee dames langdurig en qua volume niet zeer ingehouden met elkaar in gesprek in een Slavische taal. Ik houd me in, maar het liefst zou ik ze de mond snoeren, desnoods met pastéis de nata. Verder is de slaapzaal gevuld met jongelui, die enthousiast met elkaar praten en lachen. Na achtendertig dagen als een jonge hond alleen gelopen te hebben voel ik mij hier voor het eerst oud en eenzaam.

Camino Portugués

Voor verhalen kun je beter de Camino lopen.

 

 

Gandra/Valença

Dit is een echte Camino-dag, zoals ik die na alle stilte van de afgelopen weken graag heb: af en toe een bekend gezicht van de vorige albergue met een gezellig praatje. Hier op de Camino Portugués zie ik voor het eerst weer reclameborden van hostels en albergues en pelgrimsmenu’s, ja zelfs van taxibedrijven, die je wel even over een lastige bult helpen en gedenkplaatsjes, waar men stenen, foto's en andere dierbaarheden achterlaat. Allemaal niet gezien voor Ponte. Daar waren geen pelgrims om te herbergen, te voeden, te transporteren of te herdenken.

Ik stop op een rustige plaats midden in de natuur bij een albergue, ‘Quinta Estrada Romana’. Ervoor in de tuin zitten enkele mensen die ik ken te wachten tot de deur opengaat. Ik laat mijn plan om vandaag nog Spanje binnen te lopen, varen. Schot in de roos: de hospitalero, Diogo, zorgt voor een warm welkom, schoon wasgoed en een gezamenlijke maaltijd waar gemakkelijk een goed gesprek ontstaat. Zijn gasten zijn blij en open-minded. Diogo heeft het goed begrepen. Zelf gaat hij ook vaak op pelgrimspad. Aan tafel spreek ik hem toe en onthul het geheim van het witte konijn. Hij komt in aanmerking voor de White Rabbit Award vanwege zijn inspanningen om een mooie gezellige plek te creëren waar de dolende pelgrim op adem komt en waar je andere pelgrims kan ontmoeten. Geen oorkonde maar wel een mini plastic konijn valt hem ten deel. Er wordt met glazen wijn geklonken en vriendschappen worden gesloten voor kortere of langere tijd. Twaalfhonderd kilometer na Valencia vind ik het hier in Valença: eindelijk het ´echte´ Camino-gevoel, met dank aan Diogo en die aardige gasten van vandaag.

Mos

Als ik wakker word is bijna iedereen al stilletjes vertrokken. Een laatste blik op de bijzondere herberg van Diogo, daarna richting het nabijgelegen Valença, een fraaie vestingstad. De horeca zit nog dicht als ik door het stadje loop en waarom ook zouden ze open zijn? Toeristen zijn niet zo vroeg. Spoedig steek ik de Rio Miño over. Halverwege de brug begint Spanje en gaat het regenen. Het blijft bij wat gespetter en dat herhaalt zich nog een paar keer. Aan de overkant ligt Tui, ook een mooie vesting, waar ik bekende gezichten van gisteren zie, in het bijzonder bij het Mosteiro de Nosa Señora da Concepción, waar een kloosterzuster voor een tientje een doosje koekjes verkoopt via een soort mini tourniquet. Zorgvuldig afgeschermd van de wereld verdient zij iets voor het klooster. 

Ik kom Beth tegen. Zij draagt een grote, goed gevulde rugzak en duwt een kinderwagen voort met nog meer spullen en een kind. Ik bied aan om een tijdje te duwen. Ze vindt het prima. Beth, psycholoog van beroep, loopt met haar dochter van vijf de Camino Portugués vanuit Porto en heeft genoeg geduwd. Af en toe mag het kind in de wandelwagen, maar niet bergopwaarts. We praten over mislukte relaties, psychotherapie en natuurlijk het pelgrimeren en hoe heerlijk dat kan zijn. Ondertussen loop ik als een opa achter de kinderwagen en grappen we naar andere lopers, dat we sinds vandaag een gezin zijn. Na tien kilometer stappen moeder en kind op de bus, op weg naar een hotel en nemen we met een gepaste omhelzing afscheid. Vrienden voor tien kilometer. 

De albergue van vandaag is commercieel, kost niettemin geen drol. Ik kan in het bijbehorende restaurant eten. Bij de receptie staat een pelgrim, Marie, die ik nu drie dagen op rij telkens weer in een albergue tegenkom. Allebei blij een bekend gezicht te zien. Zij was de eerste en enige pelgrim met wie ik in Ponte de Lima een praatje aanknoopte, na weken alleen te zijn geweest. We gaan samen aan tafel en hebben het gezellig in deze verder niet bijster interessante ambiance. De paar andere gasten gaan hun eigen gang. De mensen van gisteravond zijn waarschijnlijk in O Porriño gestopt. Ik had ze graag nog even gezien en gesproken. Je kunt je snel aan sommige mensen hechten. O Porriño leek mij geen fijne plek: veel backpackers, ook luxelopers met kleine zakjes. Bovendien niet ver genoeg, want over vier dagen wil ik in Santiago aankomen. Het is nu nog maar honderd kilometer. Moet ik wel elke dag twee stempels scoren in mijn compostela, anders zijn die dertienhonderd kilometers straks voor niets geweest.

Pontevedra

De route van vandaag is weinig opwindend. Af en toe wat natuur en dan weer veel stadsgedruis. Veel lopers, ik zal ze niet classificeren. Soms een konijn met viltstift ergens op gekalkt. Hoezo? Raadselachtig. Natuurlijk ook herdenkingsplekken waar men de eeuwigheid te lijf gaat met dingen als stenen, foto’s, armbandjes, schoenen enzovoorts. Een bonus van tien kilometer omdat mijn beoogde doel volgeboekt blijkt en de volgende mogelijkheid zich pas na twee uur lopen voordoet. Onderweg sta ik te praten met een jongedame die een zere knie heeft, maar dat gesprek wordt ruwweg gekaapt door een gebedsgenezer, die door handoplegging regelrecht de Heer in haar knie laat nederdalen. Zo veel onbeschofte goedertierenheid verdient mijn belangstelling niet. Ik loop verder. Voor de rest ben ik slechts bezig met mij voort te bewegen volgens een schema, die mij precies op tijd bij mijn terugvlucht brengt.

Wat was vandaag wel leuk? Een Duitse lerares van zevenentwintig met het mooiste pikzwarte haar met kleine golfjes, met wie ik op een terras aangenaam heb zitten te praten en ontbijten, dat wil zeggen twee koppen koffie, een glas sinaasappelsap en een homp cake en daarna met een Vlaamse vertaalster bij de EU van vierenveertig jaar met mooie bruine ogen die op de Camino wil ontdekken wat ze verder met haar leven wil.

In Pontevedra beland ik in een gigantische albergue vol jongelui. Mijn blik valt op een metalen plaatje boven mijn bed met de aanduiding, dat dit bed voor een invalide is bestemd. Zo erg is het niet met mij gesteld, in tegendeel, ik voel me opperbest, op mijn voeten na. Die kregen vandaag te veel werk en te weinig rust. De slaapzaal van maximaal vijf bij vijf meter deel ik met tien anderen, waaronder een Spaanse vader met zijn dochter van twintig. Haar grootvader is twee jaar jonger dan ik. Als ik dat hoor dan ben ik dik tevreden met mijn status quo na meer dan dertig kilometer.

Caldas de Reis

De laatste slaapkamergenoten gingen om half twaalf naar bed, de eerste liet de wekker om zes uur aflopen. Met te weinig slaap op weg. Vandaag geen lange route en ook geen heel zware.

In het halfduister zingen de merels. Gek, in sommige steden of dorpen hoorde ik ‘s morgens vroeg vooral veel duiven, in andere hanen, en in weer andere veel merels. En dit is dus een merel-stad. Nu ik het toch over geluiden heb, alle dorpen en steden ronken en stinken van de grasmaaiers en kettingzagen op benzinemotoren. Zodra je dat begint te horen en te ruiken, dan weet je, er komt een dorp of stad aan.

Het is weer gelukt, dankzij de afwijzing bij een volgeboekte albergue in Caldas de Reis, om voor een paar tientjes een riante kamer te vinden, de laatste volgens de receptionist van het hotel. Ik beland letterlijk in een warm bad en kan ongestoord een paar uur bijslapen.

Ik krijg een goed bord eten op een terras aan het water. De Spaanse vriendelijkheid in de horeca is soms zo warm als ijs. Na mijn uitstekende maaltijd van een in olijfolie zwemmende tomatensalade en gefrituurde pulpo vraagt, of liever, schreeuwt de kauwgom kauwende serveerster bij het afhalen van de tafel: ”Dessert or coffee!” Onderling praten Spanjaarden vaak luid en indringend. Ik wen er niet aan. Ze komt terug: “Dessert?” Ik “Helado.“ Zij: “Helada.” Inderdaad, denk ik met een lach.

Padrón

Hoe dichter bij Santiago, hoe meer lopers en vakantiegangers die zich in groepjes kwetterend aan elkaar vastklampen. Ik kies voor mijn overnachting een albergue, die zich in het oorspronkelijk Franciscaanse klooster van Herbón bevindt, alleen toegankelijk voor wie zelf zijn rugzak draagt en een credencial heeft. Reserveren kan hier niet. ’s Avonds is er een gemeenschappelijke maaltijd voor de maximaal dertig gasten. Voor deze plek loop ik graag vijf kilometer om. 

Ik ben er al vroeg en moet nog een paar uur wachten tot de deur opengaat. Er komen steeds meer pelgrims bij. Een enkeling hoor ik met onophoudelijk gepraat boven de stilte van deze schitterende plek uitkomen. Ik verbaas mij telkens weer over de onstuitbare behoefte van mensen om elkaar met teksten te bestoken. 

Om kwart over drie gaat de deur open. Het aantal pelgrims is verder opgelopen. De oude hospitalero raakt de tel kwijt. Iedereen krijgt een setje wegwerplakens en ik denk, leg nou gewoon van tevoren dertig stuks klaar, dan zie je vanzelf of je al aan je maximum zit. Zijn toewijding is er niet minder om en wordt nog groter als hij ziet, dat ik maar liefst tien jaar ouder ben dan hij. Dat levert een onderbed op. 

Een mevrouw komt binnenlopen. Zij masseert kuiten en ruggen op basis van donativo. Dat heb ik niet nodig. Kwam ze maar langs met patat of zo. De maaltijd wordt namelijk pas om negen uur opgediend, nadat een mis is gecelebreerd. Dan komen drie caminovrienden met eten aanzetten. Zij nodigen mij uit mee te eten. White rabbit! 

Alle gasten krijgen ’s avonds een leuke rondleiding door de diverse gebouwen van het klooster. Vervolgens gaan we naar de mis. Op het eind lezen alle aanwezigen een spreuk voor in hun eigen taal, waarna de pelgrimszegen wordt uitgedeeld en bezegeld met een oorkonde, waar je zelf nog wel je naam en datum op moet invullen. 

Om negen uur is dan eindelijk een eenvoudige maaltijd. Een lekkere pompoensoep, veel gezonde sla, een simpele pasta en een bescheiden toetje. Door de lawaaierige akoestiek van de eetkeuken en mijn gebrekkige gehoor kan ik niet goed aan de gesprekken deelnemen. Het geeft niet. De sfeer is goed en dat is het belangrijkste. 

Al met al een klassieke roomse gelegenheid, vol van goedheid voor pelgrims op weg naar de heilige resten van Sint Jacobus.

 

Spanje moderniseert. Oude simpele dorpjes moderniseren. De drukbezochte Camino’s moderniseren. Zo’n plek als deze bestaat over vijfentwintig jaar misschien niet meer.

Santiago de Compostela

Ik word om zeven uur gewekt met Gregoriaanse muziek. Het ontbijt is zo sober als een pelgrim zich maar wensen kan: twee stukjes geroosterd brood met boter en jam plus koffie. Daarna op weg. 

Padrón is dichtbij en goed voor de noodzakelijke aanvulling van het ontbijt. Koffie met cake. Onderweg neem ik afscheid van enkele mensen, onder wie Mark uit Liverpool en Marie uit Frankrijk en nog een paar, waarvan ik de namen niet weet maar met wie ik wel kortstondige vriendschappen had. Verder wordt het dagelijkse protocol afgewerkt zoals dat al tweeënveertig dagen ging: lopen en nog eens lopen.

In Santiago aangekomen kom ik langs een winkel waar merkkleding voor een prikje wordt verkocht. Ik koop een spijkerbroek en een poloshirt voor een paar tientjes. Met schone kleren straks het vliegtuig in.

Op straat bij het compostela-kantoor hoor ik iemand mijn naam zeggen. Het is een goede kennis, ook uit Rotterdam. Bijzonder om hem hier, zo ver van huis, te treffen.

In het kantoor waar de compostelas worden uitgereikt, wordt mijn volgnummer overgeslagen. Ik loop zomaar naar binnen en tref een Nederlands sprekende mevrouw. Het computersysteem kent de Levante niet, evenmin als de Teresiano en de Torres. Maar het lukt haar uiteindelijk wel om de 1340 kilometer en Valencia in mijn getuigschrift te krijgen. Ik tevreden. 

Door naar de Huiskamer van de Lage Landen voor een leuk gesprek met de twee vrijwilligers die daar pelgrims ontvangen. Wij spreken af, later op de avond samen te gaan eten. 

Ik vertrok alleen in Valencia. Ik kwam alleen aan in Santiago en waarachtig, Jacobus zorgt dadelijk voor goed gezelschap.


Santiago – Rotterdam

Eerst maar eens een ontbijtje halen in een goed café. Daarna nog wat shoppen voor m’n liefje. Het valt niet mee om iets aardigs te vinden in dit Walhalla van souvenirs en prullaria. Drie kwartier voor aanvang van de pelgrimsmis in een reeds volgepakte kathedraal van Santiago vind ik nog slechts een plekje op een stenen trap bij de zijingang. Weinig comfort maar wel strategisch: mocht de botafumeiro, het enorme wierookvat dat midden in de kerk hangt, gaan slingeren dan zit ik hier op de eerste rang. Er is nog tijd voor een gezellige babbel met mensen om mij heen. Een mevrouw met op haar T-shirt de tekst: Tot Jezus Door Maria en haar dochter maken dankbaar gebruik van mijn knieën als rugleuning. Indrukwekkend om te zien hoe hier elke dag duizenden mensen, al dan niet gelovig, in vrede bijeenkomen. 

Onderweg was ergens een mevrouw, die mij vroeg in Santiago voor haar te bidden. Op zo’n vraag kun je toch geen nee zeggen? Ik tenminste niet en ofschoon de goede God wel weet wie ik bedoel is het wel zo netjes om haar bij naam aan te bevelen. Maar die weet ik niet meer. Ik lees daarom nog voor de dienst begint veel van mijn aantekeningen om te achterhalen hoe ze heette. Zo komen en passant de verhalen van meer dan veertig dagen lopen en dertienhonderd kilometer vol mirakels weer naar boven. Ik vraag, geïnspireerd door haar naam en het zonlicht dat de kathedraal op deze natte bewolkte dag kortstondig maar intens verlicht, of Onze Lieve Heer Aurora – zo blijkt zij te heten – mag verlichten. En ja, ik zit weer op de eerste rang om aan het eind van de dienst de botafumeiro enthousiast rokend door de kathedraal te zien slingeren. De witte rook vult de kerk met de geur van wierook, die mij, samen met mijn nieuwe broek en poloshirt, geruststelt, dat ik tijdens de bijna veertienhonderd kilometer naar huis met bus, vliegtuig en trein niet zal stinken als een pelgrim. 

In de regen wacht ik op de bus naar het vliegveld van Santiago. 

Over een paar uur ben ik thuis. Lekker snel, maar einde verhaal. Voor verhalen kun je beter de Camino lopen.

Carrer del Miracle: epiloog

 ‘Iets’, noem het de Camino, het Universum of Sint Jacobus, zorgt voor je, want je begeeft je op een Carrer del Miracle.

 

 

Het is acht uur ’s avonds. De dag zit er bijna op. Ik kijk in gedachten terug, bekijk de foto’s, die ik vandaag gemaakt heb en begin te schrijven. Er is genoeg gebeurd en wat ik alweer was vergeten komt weer met die foto’s bovendrijven. Het schrijven lijkt vanzelf te gaan. Ik houd me in: er is geen tijd om alles op te schrijven want ik moet op tijd gaan slapen, immers de volgende dag begint vroeg om voor de grootste warmte bij de volgende slaapplaats aan te komen.

Zo ongeveer eindigde ik alle drieënveertig dagen die ik doorbracht op de Camino van Valencia naar Santiago de Compostela. Te beginnen in Valencia, waar mijn oog viel op een straatnaambordje: Carrer del Miracle. Elke dag een nieuw verhaal van andere wegen, andere steden, dorpen en gehuchten, andere landschappen, andere mensen, andere belevenissen en vooral: andere mirakels.

Hoe moet ik dat samenvatten? Door te zeggen dat het een dertienhonderd kilometer lange weg is, waar je, tot waar de Camino Torres bij Ponte de Lima aansluit op de Camino Portugués, zelden een pelgrim ontmoet, in mijn geval slechts één andere? Of door alle verschillende landschappen op te sommen, van diverse soorten boomgaarden, eindeloze graanvelden, stinkende industrieterreinen, ruïnes, bergen, rivieren en beken tot de golvende Meseta, of door te vertellen dat ik een paar keer door de politie aan een slaapplaats ben geholpen, twee keer in een ruimte van een arena voor het stierenvechten sliep, twee keer een verwaarloosde albergue als donativo in natura heb uitgemest, een stuk of vier teken heb verwijderd en twee handdoekjes heb verloren? Ik weet het niet, maar dit is wat ik wel weet: op deze lange stille onbekende Camino kwam ik elke dag het geluk tegen in de schoonheid van het land, in de warmte van de mensen, in de inspiratie van het Universum, in mijzelf.

 

Dat niet meer pelgrims dit mooie lange pad bewandelen is mij een raadsel. Echt, je hoeft geen held te zijn, atleet of jonge god. Soms is het zwaar, maar gaandeweg word je sterker en sterker, niet alleen fysiek, maar ook in het vertrouwen, dat ‘Iets’ – noem het de Camino, het Universum of Sint Jacobus – voor je zorgt, want je begeeft je op een Carrer del Miracle.

Thuiskomen 

‘A lo largo del Camino hay un mundo mágico que tu no ves, es el guardián protector que te guiará y aguardara dandote suerte. Buen Camino.’  

Santiagus

 

 

Langs de Camino del Norte lopend op weg naar Santiago, valt mijn blik op de tekst van een klein tegeltje, ingemetseld in een muur. Ik maak een foto en denk er verder niet meer aan. 

Na een jaar, terwijl ik over mooie dingen van de Camino schrijf, kom ik die foto weer tegen. Met hulp van Google Translate wordt de tekst vertaald: ‘Er is langs de Camino een onzichtbare magische wereld met een beschermende bewaker die je zal begeleiden en die op je wacht om je geluk te geven. Buen Camino.    Santiagus’

Dit camino-wondertje, zo maar langs de kant van de weg, is mij uit het hart gegrepen. Een tegeltjeswijsheid over het magische van de Camino en wat mij betreft niet alleen van ‘de’ Camino. Ik wil daar, net als Santiagus, over schrijven. 

Maar wie is die Santiagus eigenlijk? Hij is niet terug te vinden op het web, zelfs niet in de Biblioteca Nacional de España. Ik heb A.I. aan het werk gezet en die zegt, dat het een pseudoniem is voor Santiago López Navarrete, maar ook die vis ik niet op met het internet. Ik moet er naar gissen of hij op sandalen van herberg naar herberg liep met knapzak en zelf gekerfde stok of dat hij op een elektrofiets reed, zijn overnachtingen reserveerde, gebruik maakte van taxi’s en bagagetransport. Jammer, dat ik hem niet kan vinden. Ik had hem graag de hand geschud. 

Echter, “zijn onzichtbare magische wereld” heeft mij gevonden en schudt toetsenbord-tikkend mijn hand terwijl ik over de Camino schrijf.

Thuisgekomen vervolg ik mijn Camino, mijn levensweg, steeds weer op zoek naar het wonderbaarlijke. 

 

Denk niet dat je pelgrimage in Santiago ‘klaar’ is. Reken maar dat jouw ervaringen op de Camino, om niet te zeggen lessen, je altijd zullen bijblijven. Je neemt een eigentijdse versie van je aflaat mee naar huis.

 

Peregrino por siempre – Pelgrim voor altijd. 




DEEL 3 – APPENDIX

 

 

 

 

 

 

 

Als de pelgrimsreis een metafoor is voor het leven, dan is er alleen maar vertrouwen nodig om ons leven te leiden, vertrouwen in de goede afloop, vertrouwen in de reisgenoten. Vanuit dat vertrouwen ga je op pad. Zonder te weten waarheen. Want wie kent de afloop van zijn leven?

Wim Diepeveen 




Mijn Camino’s


 

2021  Rotterdam  –  Saint-Jean-Pied-de-Port

 

Een leerweg lange afstand wandelen en het geheim van het witte konijn.

 

 

Ik hoorde voor het eerst over de pelgrimswegen naar Santiago in 1998, toen een vriendin, door de plaatselijke pastoor voorzien van een pelgrimszegen, vanuit Nederland naar Santiago liep. Haar verhalen wekten in mij een verlangen op, ook op weg te gaan. Het kwam er niet van, tot een tijdschriftartikel over de Camino naar Santiago mij begin 2021 wakker schudde. Ik legde het plan aan mijn vrouw Ellen voor om in drie maanden van Rotterdam naar Santiago te lopen. “Natuurlijk moet je dat doen. Je moet honderd worden en lopen is goed voor je lichaam en geest. Je hebt hard gewerkt. Geniet van het leven.” was haar ruimhartige reactie, waar ik haar nog steeds dankbaar voor ben. 

In die tijd was door covid het openbare leven zo goed als tot stilstand gekomen. Wandelen was bijna het enige wat mocht. En dat deden we, Ellen en ik. Wandelen voelde als een bevrijding van de beperkingen van covid en het was een mooie voorbereiding op de langere wandeling die ik zo spoedig mogelijk zou gaan maken, immers ik was 74 en wist niet hoe lang ik nog tijd en energie had voor de tocht, die in mijn verbeelding lang en zwaar zou zijn.

Zodra de coronamaatregelen versoepeld werden en er weer gereisd kon worden ging ik met acht kilo inclusief tentje en zelfs een vederlicht stoeltje in mijn rugzak op weg. Ik liep in spiksplinternieuwe hoge schoenen tot ik in België niet verder kon: grote blaren onder beide voeten maakten dat mijn wandeling wekenlang stil lag. Daardoor kwam ik dat jaar niet verder dan Saint-Jean-Pied-de-Port aan de voet van de Pyreneeën bij de grens met Spanje.

Ik liep niet tevergeefs. Het was met recht een leerweg. Ik leerde mijn voeten te verzorgen, welk schoeisel mij beviel, welke spullen thuis konden blijven en welke onmisbaar waren. Ik leerde, dat mijn leeftijd geen beletsel was en dat ik gaandeweg een uitstekende conditie opbouwde en steeds langere afstanden kon afleggen, maar ook dat nieuwe schoenen problemen kunnen geven. Ik leerde kaartlezen, navigeren en onderdak-adressen vinden en vooral hoe wonderlijk de wegen naar Santiago zijn. 

Door België en Frankrijk te voet: wat een belevenissen, wat een prachtige landen en wat een mooie manier om dat lopend te ervaren. Het verlangen naar de Camino werd er niet minder op. Het jaar daarop zou ik opnieuw vanuit Rotterdam richting Santiago gaan, maar nu beter voorbereid.

2022 Rotterdam – Santiago de Compostela 

Een uitnodiging om uit het gewone leven te stappen en een buitengewone reis te gaan maken. 

 

 

Ik had natuurlijk vanuit Saint-Jean-Pied-de-Port verder kunnen lopen, maar wilde heel graag in één keer van huis naar Santiago lopen, in mijn opvatting een voorwaarde waar een ‘echte’ pelgrimage aan moest voldoen en dus vertrok ik opnieuw vanuit Rotterdam. Op deze lange Camino wilde ik ‘meditatief lopen’. Ik wist zelf niet precies wat dat betekende, maar wel dat ik niet voor de sportieve prestatie of als toerist zou gaan en dat ik niet bijzonder geïnteresseerd was in openbaar vervoer of allerhande bijzonderheden langs de route, zoals musea, bouwstijlen, terrassen, haute cuisine, landschapstyperingen, geschiedenis, enz, maar des te meer in het simpele ervaren van het lopen op zich en wat dat met mij zou doen. Naïef, onbevangen en het liefst getrakteerd op geestverruimende ervaringen. 

De eerste vier dagen ging ik elke avond met het openbaar vervoer terug naar huis. Op dag vijf liep ik met Ellen van Middelburg naar de veerhaven van Vlissingen. Op dag zes stak ik met de veerboot de Schelde over. Daarmee begon, zo voelde het, mijn Camino. 
Het oorspronkelijke plan was om na Saint-Jean-Pied-de-Port over te stappen op de Camino del Norte. Door een vergissing bij het maken van reserveringen belandde ik onbedoeld op de Camino Francés. Achteraf maar goed ook. Ik zou tegenwoordig iedereen die voor het eerst naar Santiago loopt willen aanraden dat via de Camino Francés te doen: de klassieke pelgrimsroute als een ‘rite de passage’ gedragen door eeuwen aan pelgrimages.

Na aankomst in Santiago meldde ik op facebook, dat mijn pelgrimage was voltooid. Prompt stuurde iemand een reactie: je bent en blijft van nu af aan pelgrim!

2023   Camino Portugués, Camino Fisterra, Via de la Plata, Camino del Norte-Camino Primitivo

Pelgrims gaan op voorhand akkoord met wat hen overkomt. Wat gebeurt is goed. Mijn bed is goed. De ontvangst is oké. De nachtrust ook. En dan kan de pelgrim weer verder. Want daar gaat het om. Lopen. Verder.

Hape Kerkeling

 

 

Ellen begreep uit mijn verhalen, dat het goed toeven is op de Camino en daarom besloten wij samen in het voorjaar de Camino Portugués te gaan lopen. Wij verbleven veelal in B&B’s en hotelletjes. Na Santiago trokken we door naar Fisterra en Muxía. Het werd een heerlijke reis en voor mij een geheel nieuwe ervaring van de Camino. Ik leerde dat samen lopen andere kwaliteiten heeft dan solo. 

Direct hierna ging ik met de trein naar Sevilla om ‘nog even’ de Plata ‘te doen’. Eigenlijk was het plan de Norte te gaan lopen. In de zomer is het in het noorden meestal iets koeler dan middenin Spanje, maar het weer sloeg om van extreme hitte naar acceptabele temperaturen in het hele land, wat de kans bood om verantwoord middenin de zomer dwars door Spanje te lopen. In Granja de Moreruela stapte ik van de Via de la Plata over op de rustige CaminoSanabrés die verder naar Santiago voert. Duizend kilometer natuur, steden, dorpen en zo Spaans als maar kan. 

Een onvergetelijke wandeling, maar nog steeds was de Norte niet bewandeld. Daarom vertrok ik september 2023 naar Bayonne om eindelijk de Camino del Norte te lopen, een rustige landschappelijk fraaie route met een levendige toeristische atmosfeer langs stranden en baaien, mooie dorpen en steden. Halverwege maakte ik de overstap naar de Camino Primitivo, die met haar rust en ruimte beter dan de Norte tegemoetkomt aan de behoeftes van een pelgrim, althans dat denk ik. Hier groeide richting Santiago een groep van caminovrienden die de laatste avonden samen aten en dronken, praatten en lachten. Onvergetelijk.

2024 Camino Portugués, Camino Fisterra, Camino de Levante – Camino Teresiano – Camino Torres, Camino Francés

The Camino provides

 

 

Ellen wilde graag nog een keer samen de Camino Portugués lopen. Net als het jaar ervoor liepen we door naar Muxía. Bijna 400 kilometer en mooi en waardevol maar niet genoeg voor mij. Begin juni vertrok ik daarom direct daarna naar Valencia, startpunt van de Camino de Levante. Ook dit keer werkte het weer mee. Niet te heet waardoor het verantwoord was om midzomer deze lange wandeling dwars door Spanje en Portugal naar Santiago te maken. 

In Ávila stapte ik van de Camino de Levante over op de wonderschone en stille Camino Teresiano, die vlak voor Salamanca eindigt in Alba de Tormes. 

Vanaf Salamanca ging het verder over de Camino Torres. Daarvoor, op de eerste 1250 van de 1400 kilometer, heb ik slechts één andere loper ontmoet, met uitzondering van Salamanca, waar de route de Vía de la Plata kruist. De stilte gaf alle ruimte om na te denken over wat pelgrimeren voor mij betekent.

Na Ponte de Lima valt de Torres samen met de Camino Portugués Central. Hier zag ik eindelijk weer wandelaars naar Santiago en had ik bijzondere ontmoetingen met andere pelgrims, zo kenmerkend voor de Camino. Bij thuiskomst verzekerde ik mijn vrouw dat dit wel genoeg was voor het lopende jaar. Niets bleek minder waar. Binnen twee maanden was ik alweer op weg en wel met een bijzondere reden. 

 

Onderweg en op allerlei facebook-pagina’s zag ik hoe mensen uit angst en onzekerheid vastklampen aan vermeende zekerheden als samen lopen, gereserveerde overnachtingen, elektrische fietsen, bagagetransport, groepsreizen en dergelijke. Daar wordt, zo meende ik, de kans om de magie van de Camino te ervaren niet groter op. Als tegenwicht besloot ik een boek te schrijven over de magie van de Camino – vanuit de overtuiging, dat de weg voor je zorgt, dat vertrouwen het enige is wat nodig is en dus dat je niet alles van tevoren tot in detail hoeft vast te leggen.

Om dat idee kracht bij te zetten wilde ik geen theoretisch betoog, maar een levende ervaring. Daarom koos ik ervoor de achthonderd kilometer van de drukst belopen Camino in de op één na drukste maand van het jaar – de Camino Francés in september – te lopen zonder één enkele reservering. Ik liet het aan het Universum over waar ik zou slapen. Hoe dat is afgelopen heb je in dit boek kunnen lezen. 

2025 Camino Portugués, Ruta de la Lana Camino Francés

Dit jaar begon met wat inmiddels traditie was geworden, namelijk samen met Ellen de Camino Portugués ‘doen’. En volgens dezelfde traditie geheel door haar georganiseerd, dus alle overnachtingen van tevoren gereserveerd met vermijding van slaapzalen en stapelbedden, met als enige variatie dat deze keer niet naar Muxía werd doorgelopen. Veel regen en storm, maar voor ons gevoel was het toch een fijne wandeling. Aan het eind kondigde Ellen dan ook aan, dat zij in 2026 deze Camino opnieuw zou willen doen. 

Direct daarna vertrok ik met de trein naar Alicante om van daaruit solo over de Ruta de la Lana naar Burgos te lopen. Daar ben ik overgestapt op de Camino Francés. De Ruta de la Lana is in het algemeen een prachtige, stille en avontuurlijke route, soms door ongerepte natuur. De temperaturen waren niet te hoog, een absolute voorwaarde voor deze route. Het heeft meer de sfeer van een lange afstands-wandeling en is minder geschikt voor onervaren wandelaars, vooral midzomer wanneer het gevaarlijk warm kan worden in midden Spanje. Er zijn vrij veel pelgrimsonderkomens, maar lang niet overal. De overgang naar de Camino Francés was groot: opeens weer veel voorzieningen en andere wandelaars, wat ik na alle stilte aangenaam vond.  


Informatie en het web

 

Als je internet afstruint vind je vanzelf veel handige apps en facebook-pagina’s met nuttige informatie over routes, logeeradressen etc. In een aantal landen zijn Caminoverenigingen actief. In Nederland is dat het Genootschap van Sint Jacob. Als je de site van het Genootschap van voor naar achteren hebt uitgespeld, ben je al heel goed geïnformeerd. Hetzelfde geldt voor de site van het Vlaams Compostela Genootschap. Een paar suggesties wil ik je niet onthouden.

□ De site caminoweather.com die per (deel van) je Camino gemiddelden voor het weer geeft. Handig als je wilt weten of je warme kleding mee moet nemen, maar je krijgt geen garantie voor ideaal wandelweer.

□ De Spaanse app AlertCops, voor als er iets vervelends aan de hand is.

□ De site Rome2rio.com die je veel informatie geeft over het openbaar vervoer. Maak er gebruik van, maar een al te gretig gebruik van het openbaar vervoer, inclusief taxi’s, stimuleert eerder gemakzucht dan een authentieke pelgrimservaring.

Let op dat je een goede weer-site op je telefoon hebt die je kan waarschuwen voor slecht weer.

Andere nuttige sites vind je gemakkelijk op het internet. Daar verder zoeken laat ik verder aan jou over: die pret wil ik je niet onthouden. 

Wandelgidsen en routeboekjes zijn informatief maar hebben als nadeel, dat het een extra gewicht is in je rugzak en dat ze kwetsbaar zijn op een regenachtige dag. Bovendien is de informatie al snel gedateerd. Ik neem ze niet mee. Alle informatie zit in mijn telefoon.

Gewicht rugzak 

Rugzak​​​​​​                                     Gram

Rugzak​​​​                                      810

Kleding

Ondergoed.                              ​  ​65

2 paar sokken.                         ​  ​60

Korte broek​​​                               165

Fleecejasje​​​                                 210

Shirt lange mauw​​                    115

Gewatteerd jasje​​                     330

Slippers​​​                                     260

Wassen

Handdoekje​​ ​                               85

Toiletartikelen​​​                          280

Regen 

Poncho​​​                                       335

Gamaschen​​                               100

Elektronica 

oplader etc.​​​                                120

Slapen ​​​​

Slaapzak + hoes                      ​​ 825

Eten en drinken

Spork​​​                                              ​10

Drinkflesje​ ​ ​                                  50

Zitmatje  ​​                                      ​45​

Diversen
extra maximaal​                         500

Documenten-tasje​​​                   165 

Stokken​​, soms in de rugzak​, 325    maar meestal niet!

Totaal omstreeks 5 kg. 
In het koude seizoen komt daar aan extra kleding maximaal 600 gram bij.

Gaan tent en luchtbed mee dan komt er nog ongeveer 1400 gram bij. 

Alles bij elkaar, inclusief tent met toebehoren en extra kleding en warmere slaapzak voor het koudere seizoen, niet meer dan 7 kilogram.

Negeer de 10% regel. Ga voor het minste gewicht.

Donativo

 

Veel herbergen langs de Camino worden gefinancierd door middel van een vrijwillige bijdrage, een donativo, van de gasten. Het principe is dat jij betaalt voor een gast van morgen die het minder breed heeft. 

Dit boek wordt in lijn met deze goede donativo-traditie digitaal zonder winstoogmerk of (verborgen) commerciële motieven gratis ter beschikking gesteld. Wil je een donatie doen, dan zijn er meerdere mogelijkheden voor een ‘donativo in natura’:

 

1.  Stuur naar zo veel mogelijk relaties (vrienden, familie) en met name naar mensen, die een camino willen gaan lopen of hebben gelopen, een link naar dit boek door en….

2. Stuur naar mij een berichtje met een korte beoordeling van dit boek en geef aan of je op de hoogte wilt worden gehouden van nieuwe berichten van mijn kant over nieuwe hoofdstukken en wat dies meer zij. Ook aanvullingen of correcties zijn welkom.

Een contactformulier staat op de website.

Boeken

 

Quotes of citaten kunnen worden gevonden in onderstaande boeken.

 

Jeroen Gooskens, Ver onderweg. Valkhof Pers 1998.

Steven Graham, Het geluk van de wandelaar. Uitgeverij Oevers 2022. Oorspronkelijke titel: The Gentle Art of Tramping.

Neale Donald Walsch, Een ongewoon gesprek met God. Kosmos uitgevers 1997. Oorspronkelijke titel: Conversations with God: an uncommon dialogue.

Hape Kerkeling, Ik ben er even niet. Uitgeverij Ten Have 2007. Oorspronkelijke titel: Ich bin dann mal weg.

Marsilio Ficino, Brieven, Boek lll. Uitgave Rozekruis Pers, 1996

De Gids voor de pelgrim. Uitgave Nederlands Genootschap van Sint Jacob, 2021.

Wim Diepeveen, Altijd vandaag. Lopen naar het einde van de wereld. Uitgeverij Palmslag, 2021

Teresa van Ávila: Boek van de Stichtingen (Libro de las Fundaciones)

Verantwoording

 

Dit boek is samengesteld op basis van persoonlijke indrukken, opvattingen en ervaringen van de schrijver. Je mag je hierdoor laten inspireren, graag zelfs, maar uiteraard blijf je zelf verantwoordelijk voor de keuzes die je maakt. Dat geldt voor alle aspecten van het pelgrimeren: wat je meeneemt, of je alleen loopt of in gezelschap, al dan niet georganiseerd, of je slaapplaatsen reserveert, enzovoorts. 

 

Raadpleeg een (sport)arts als je niet zeker weet of je fysiek en of mentaal in staat bent een lange wandeltocht te ondernemen.

Dankwoord

 

Allereerst Ellen, dankjewel, dat je mij telkens weer ruimhartig maandenlang de Camino in liefde gunt en stimuleert dat ik eindeloos langs de Camino mijn spirituele ontdekkingsreizen voort kan zetten en geduldig al mijn manuscripten leest. 

Wit Konijn, bedankt dat je mij op 5 april 2022 om 18:30 uur in de buurt van Esquelmes in België langs de Schelde opwachtte om mij rechtstreeks in contact te brengen met ‘IETS’ wat je veel namen kunt geven, bijvoorbeeld ‘Bron van Alles’ of ‘Universum’.

Dank U wel, IETS.

Angela, jouw professionele correctiewerk heeft dit boek van talloze fouten verlost. Ik kan je er niet dankbaar genoeg voor zijn.  

AnneMarleen, dankjewel voor het fraaie portret van mij met het witte konijn. Ik ben er heel blij mee.

Neeltje, jaren geleden bracht je mij met jouw caminoverhalen op het spoor van het pelgrimeren naar Santiago. Daar ben ik je nog altijd dankbaar voor. 

Dank aan Frans, Maarten, Ben, Netta, Diaaeddin. Jullie hebben met grote toewijding het manuscript gelezen en waardevolle commentaren geleverd. 

Dennis, jij komt in aanmerking voor een White Rabbit Award vanwege alle tijd die je besteedde aan de Engelse vertaling.

Dank aan alle lezers. Jullie zijn onmisbaar voor de instandhouding van de aloude waarden van de camino en leveren daaraan een bijdrage door de moeite te nemen dit boek te lezen.

Dank aan alle pelgrims, hospitalera’s en hospitalero’s, met wie ik dierbare ontmoetingen had en die daarmee voor mij de spirituele aantrekkingskracht van de Camino versterkten.…. 

Contact

 Vond je het leuk om mijn verhalen te lezen, denk je een goed idee te hebben om dit boek mooier te maken, ben je benieuwd naar mijn andere wandelingen of heb je een andere boodschap? Laat het me weten! 

Maak gebruik van het contactformulier.